Publicaties
Kaantjes uit de smoutpot

Tijdens de 20ste vergadering op 22 januari 2008 werd besloten om, in de maandelijkse dorpskrant: “Oosteeklo Vandaag”, op regelmatige basis een beknopte en vulgariserende heem- of volkskundige bijdrage te laten verschijnen onder de algemene benaming: “Kaantjes uit de Smoutpot”.

De artikels werden geschreven door Guido Van der Eecken, tenzij anders vermeld.

Zout kennen we vooral als smaakmiddel in de keuken; maar eeuwenlang was zout onontbeerlijk bij het bewaren van voedsel vnl.: vlees. Doordat zout vocht opneemt wordt het voedsel uitgedroogd waardoor de ontwikkeling van bacteriën stil valt.

Al van oudsher was zout dan ook zeer belangrijk. In de Romeinse Tijd werden gestandaardiseerde hoeveelheden zout als betaalmiddel gebruikt. Hiervan komt ons woord salaris: wedde (sal: zout).

De zoutwinning in het Middellandse Zee-bekken was en is vrij eenvoudig: men laat bekkens vollopen met zeewater, sluit ze af, laat het water verdampen en het zeezout blijft over. Zeewater bevat ongeveer 30 kg zout per m³.

In minder zonnige streken is deze werkwijze niet meer bruikbaar.

Op plaatsen waar vroegere binnenzeeën opdroogden komt versteend zout in de grond voor, b.v. bij het Oostenrijkse Salzburg (salz: zout). De Kelten exploiteerden daar diverse zoutmijnen. De eerste Keltische bloeiperiode (de “Hallstatt periode”, 800-500) heeft aan deze zouthandel waarschijnlijk zijn ontstaan te danken.

In de tijd van de Kelten (hier noemen we ze “De Oude Belgen”) werd onze streek door de “Menapiërs” bewoond. Ze kenden twee methodes van zoutwinning.

- Tegen het einde van de laatste IJstijd (12.000 jaar geleden) kwam de zee tot aan de Vlaamse Ardennen. Het grootste deel van West- en Oost-Vlaanderen was toen één groot overstromingsgebied met slikken en schorren. “Vlaanderen” zou afkomstig zijn van het Keltische woord Flaumandrum (andrum betekent: land en flaum: overstroomd, dit laatste woord leeft nog voort in het Nederlandse vloed, in het Duitse fluss en het Franse fleuve: rivier, stroom).

Al dat zeewater heeft veel zout nagelaten dat zich in de toenmalige veenvegetatie opgehoopt heeft. De ontginning van dit veen ging dan ook met zoutwinning gepaard. Gedroogd veen is turf. De turf werd verbrand, de as gespoeld en het spoelwater ingekookt totdat het zout overbleef. Het was vrij omslachtig maar het voorzag menig huisgezin in zijn dagelijkse zoutbehoefte.

- De bewoners van de kustgebieden kenden nog een andere manier van zoutwinning.

Uit klei werden grote, dikke tegels, van ongeveer 1m², gebakken. Deze tegels werden als een toren op elkaar gestapeld gescheiden door voetjes van ongeveer 10 cm lengte en dan gloeiendheet gestookt. Over deze stapel hete tegels werd zeewater gegooid, het water verdampte en het zout bleef achter. Nadien werd het zout van de tegels geschraapt.

Deze zoutwinning had industriële allures. De productie lag zo hoog dat er zout uitgevoerd werd naar de Germanen (Duitsland). Waarschijnlijk was dit tegelzout dus goedkoper dan het zout uit de mijnen.   

De Middeleeuwse rechtspraak was vrij ingewikkeld en verschilde nogal van streek tot streek.

Karel De Grote (747 - 814) had destijds orde op zaken gesteld door het Frankische gewoonterecht aan te vullen met keizerlijke verordeningen, doch tijdens het Leenroerig Tijdperk (van de 9de tot en met de 12de eeuw) versnipperde het recht volkomen volgens de heersende leenheer. Wie moest vonnissen oordeelde dan ook meestal naar eigen geweten.

Bij de opkomst van de steden kwam de noodzaak aan een beter georganiseerde maatschappij. De eerste keuren kwamen tot stand. Dit is een soort grondwet waarin de rechten en plichten van de gemeenschap opgetekend werden. Op die manier werd willekeur voorkomen en werd de maatschappij keurig geordend.

In het algemeen bestonden er weinig middelen om in een rechtszaak de waarheid te achterhalen. Men beperkte zich tot het onder eed aanhoren van mogelijke getuigen. Een bekentenis van een beklaagde gold als bewijsmiddel en folteringen - ook het scherp examen genoemd - werden juist toegepast om een bekentenis af te dwingen.

Bij een misdrijf werd de beklaagde opgepakt en in de kelder van een kasteel of in een houten getimmerd kot in de schuur van een boerderij, soms zelfs in een houten kist, opgesloten - vandaar onze zegswijze iemand in den bak steken - in afwachting van het proces. Kort daarop had al de rechtszaak plaats.

De uitspraak volgde meestal 14 dagen later waarna onmiddellijk de strafuitvoering volgde.

Straffen waren, naar onze normen, vrij streng. De baljuw en de praeter - politieagent, ook sergeant, messier of officier genoemd - was met de strafuitvoering belast. Opsluiting of vrijheidsberoving als straf was in de middeleeuwen (van 500 tot 1500) niet gekend.  

Enkele voorbeelden van straf.

Kleine straffen:

* bij beledigingen: geldboete voor de heer of boete in natura voor de armen.

* bij kleine misdaden zoals ruzie stoken of kleine diefstallen: boetebedevaart.

Zeer in trek was de strafbedevaart naar Santiago De Compostella. Deze kon men afkopen met een gift aan een plaatselijk heiligdom. Zo heeft elke middeleeuwse stad zijn St. Jacobskerk.

Onterende straffen:

  * bij kleine diefstallen of beledigingen: in zijn hemd een kaars dragen achter de pastoor in de processie. Vandaar onze zegswijze iemand in zijn hemd zetten.

  * bij kwaadsprekerij: van dorp tot dorp trekken met een aantal stenen om de hals gebonden.

  * bij diefstal of bedriegerij, ook bij wie zijn familie of gemeenschap ten schande bracht: scavotten of pilloriseren (aan de schandpaal binden).

In bijzonder kunnen we hierbij natuurlijk verwijzen naar de schandpaal van  onze “Orde van de Smoutpot”. Wie onze gemeenschap 'ons Oosteeklo' ten schande brengt verdient eigenlijk aan de schandpaal te staan. Dit symboliseert ten zeerste het gedachtegoed van onze Orde.

Vb.: een boer die boter onder het gestelde gewicht verkocht werd na de hoogmis aan de schandpaal gebonden met de boter op zijn hoofd zolang tot de boter gesmolten was.

Vandaar onze zegswijze hij heeft boter op zijn hoofd.

  * bij recidieven: brandmerken op de rug of het voorhoofd.

  * bij onverbeterlijk gedrag: verbanning uit de heerlijkheid of ambacht.

Lijfstraffen;

  * bij zware misdrijven: geseling totten bloede, totten lopenden bloede of ter discretie van den baljuw (tot de baljuw het genoeg vindt).

  * bij grote diefstallen: verminking (afhakken van een hand).

Doodstraffen: (niet elke rechtbank kon een doodstraf uitspreken).

  * bij moord: ophanging aan de galg. Bij zelfmoord werd het lijk opgehangen.

  * bij een onterende misdaad of landverraad: onthoofding.

  * bij brandstichting of ketterij: levendigh ghestraft worden met den viere (brandstapel). Soms werd deze straf gemilderd door de gunst te verlenen om eerst aan een paal gewurgd te worden.

Vanaf 700 vóór Christus – Homeros schrijft dan zijn Ilias en Odyssee – wonen de Kelten in onze streken. De Grieken noemen ze Keltoi of Galatoi (Galaten); de Romeinen Celtae of Galli; in het Frans Celtes; in het Nederland Kelten of Galliërs.
Over de Kelten die hier woonden spreken we gemeenzaam van “Oude Belgen”.
Het was een verzameling van stammen die nauw samenwerkten maar toch een vrij grote onafhankelijkheid tegenover elkaar hadden. “Het Europa der volkeren”.
Hier woonden ze in de uitgestrekte moerassen van Vlaanderen en de dichte loofbossen van de Kempen en Ardennen. Het woord “Kelten” betekent zoveel als verborgen volk.
De stammen dragen dappere of schitterende namen. Hier bij ons: Menapië de levendigen, Nervië de mannelijken, Aduatuci de vluggen, Condrusii de driftigen, Morini de kustbewoners (zee betekent in het Keltisch more, in het Latijn mare, in het Frans mer. Het woord leeft nog voort in ons dialect moor: modder). Samen noemde men ze hier “Belgae” de fieren, of zij die zich rap kwaad maken, die vlug “verbolgen” zijn.

Kelten waren boeren en net zoals wij nu, stonden ook de “Oude Belgen” bekend als grote varkenskwekers. De varkenskweek in onze streek is dus eeuwenoud. Vooral de Menapiërs bezaten grote varkenskudden van honderden dieren. Ook toen al beschikte men over een kwalitatief hoogstaand varken: “Het Keltisch varken”. (afbeelding varken) Het was groot, lang, smal, sterk behaard, had hoge dunne lange poten, een bolle rug en afhangende ezelsoren. Het was nog maar pas gedomesticeerd en eigenlijk nog half verwilderd. Het was een bos- en weidevarken bij uitstek. Om al dat vlees te kunnen bewaren werd het gepekeld en gedroogd. Voor het pekelen was veel zout nodig en hoe de Menapiërs daar aan kwamen hebben we een vorige keer uitgelegd. 

De grote beschikbaarheid en vooral de lange bewaartijd van dat varkensvlees was de Romeinen niet ontgaan. Ze vonden het uitermate geschikt om hun legioensoldaten tijdens hun tochten van vlees te voorzien. Ze kochten het dan ook gretig op. Rond 200 vóór Christus noteerde de Romeinse schrijver en staatsman Cato (leefde van 234 tot 149 vóór Christus) dat drie tot vierduizend hespen en zijstukken van varkens uit “Belgica” in de kelders van Italië als voorraad bewaard werden. Wat meteen bewijst dat al eeuwen vóór Julius Caesar aan zijn verovering van Gallië begon er al een intensieve handel met die “Barbaren uit het Noorden” bestond.

Niet alleen de legioensoldaat maar ook de Romeinse burger was in die tijd verzot op dit vlees. Geschiedschrijver Plinius de Oude (leefde van 23 tot 79 na Christus) schreef dat de hespen van het Menapisch varken als zoete broodjes op de markten van Rome verkocht werden. Voor hen waren het de beste hespen uit hun keizerrijk. Je zou bijna zeggen: “Ganda Ham”, avant la lettre, “Met zeezout en de tijd als enig ingrediënt”.

De Kelten werden hier verdrongen door de Franken, maar hun varken bleef. Franken (de moedigen) waren Germanen (het woord komt ofwel van het Keltisch: schreeuwers, roepers; ofwel van het Latijn: kameraden, broeders) en ook zij waren varkensboeren. Net zoals de “Belgae” bezaten ze kudden van honderden stuks varkens.

Van 500 jaar vóór Christus tot midden de 18de eeuw werd het Keltisch varken hier gekweekt en het is niet verdwenen. Als “Iberisch Varken” leeft het voort in Spanje en het levert nog steeds de beste hesp ter wereld: pata negra. Zowel vroeger als nu werd en wordt die onvolprezen smaak verkregen door een unieke voeding.

Dat is voor een volgende keer.

In onze streek komt de familienaam VAN WYNSBERGE (er zijn nog een tiental andere schrijfwijzen) veel voor. Volgens Frans Debrabandere, in zijn “Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk” is de naam afkomstig van de plaatsnaam Wijnsberg gelegen tussen Ingooigem, Vichte en Waregem.   

Gaat het hier dan om een “berg” waar op de hellingen aan wijnbouw gedaan werd? Ja zeker!

Velen zijn van mening dat ons klimaat niet geschikt is voor wijnbouw. Dat is fout. Er zijn druivenvariëteiten die ook in een gematigd klimaat goed gedijen. De Duitse Rijn- en Moezelwijnen zijn daar een goed voorbeeld van en - wat weinigen nog weten - ook Vlaanderen is vroeger een wijnstreek geweest die uitstekende wijnen voortbracht.

 

België is zowat overal gekend als het bierland en terecht, nergens anders ter wereld kent men zo een uitgebreid gamma aan verschillende bieren met een omvangrijke productie. Maar vroeger was dit niet zo. In de middeleeuwen werd hier meer wijn dan bier geproduceerd.

De eerste, momenteel gekende, sporen van inlandse wijnbouw dateren al van in 830 en situeren zich in de streek rond Gent. Later in de middeleeuwen werden de meeste Vlaamse wijnen op grote schaal gewonnen rond de oude abdijen van Gent en Leuven. De zorg om natuurlijke wijn voor het heilig misoffer zal daar wel niet vreemd aan geweest zijn.

 

Toen Keizer Karel V zich in 1555 naar Spanje terugtrok nam hij drie karrenvrachten Vlaamse wijn mee, want dat vond hij de beste wijn die toen op de markt was. Zijn mening is belangrijk: hij kon over elke wijn beschikken die zijn keizerrijk voortbracht en “in zijn rijk ging de zon nooit onder.”

Elke heer bezat hier toen zijn eigen wijngaard. Tevens gold een wijngaard als één van de beste bruidsschatten die men zijn dochter kon meegeven.

In 1658 lagen in Schellebelle, mijn geboortedorp, 14 wijngaarden tussen de huidige Stationsstraat en de Roebeek. Het landschap vormt hier een natuurlijke glooiing naar het zuidwesten. De eigenaars van deze wijngaarden waren - naast de kercke - allemaal notabelen uit de streek. De gronden worden er nog steeds “De Wijngaardbochten” genoemd.

 

Op het eind van de Frans-Spaanse oorlog werd in 1659 door de “Vrede van de Pyreneeën” de druiventeelt als nijverheidsgewas in onze streek verboden. Onze gewesten behoorden toen tot “De Spaanse Nederlanden” en het was voor Spanje natuurlijk gemakkelijk om ergens anders toegevingen te doen. Het ligt voor de hand dat deze economische maatregel door Frankrijk werd afgedwongen omdat de Vlaamse wijnbouw een geduchte concurrent was voor de Franse druiventelers.

Nadien verdwijnt geleidelijk aan de Vlaamse wijncultuur en worden we een bierland.

Dit ging echter niet van vandaag op morgen. De inventaris van brauwerije “De Paele” aan de Hoogstraat te Schellebelle vermeldt in 1690 - dus 31 jaar na het verbod op de druiventeelt - nog 50 stopen wijn (1 stoop = ongeveer 2,5 liter).

 

Wijnbouw was ooit een belangrijke nijverheidstak in Vlaanderen. Familienamen zoals: (Van den) Wijn(en)daele, (Van den) Wijngaerd, (Van den) Wijnhove, Wijnmann, (Van) Wijnsberge, (Van den) Wijnstock enz. verwijzen er nog naar. Door het Frans protectionisme verdween hier de wijncultuur.

Momenteel vind je in Vlaanderen terug wijngaarden in het Leuvense, het Hageland, Haspengouw en in het West-Vlaamse Heuvelland (Monteberg). Daarnaast zijn er ook kleinschalige projecten zoals in Gent (Sint-Pieters abdij).

Vrijdag 3 oktober 2008 startte het nieuwe werkjaar van de plaatselijke wijnclub “Joie de Vivre”. De leden maken elke maand kennis met wijnen van over de hele wereld. Zij maakten de voorbije jaren ook al kennis met de Vlaamse wijnen. Is dit het begin van een heropbloei?

Het woord “smout” heeft, volgens Van Dale, meerdere betekenissen. Eén daarvan wordt omschreven als gewesttaal voor reuzel. Reuzel is gesmolten en vervolgens gestold varkensvet. Het is dan ook niet te verwonderen dat het zelfstandig naamwoord “smout” etymologisch afkomstig is van het werkwoord “smelten”. 

Vet is onmisbaar in de keuken. Heden ten dage hebben we hiervoor diverse soorten oliën of plantaardige vetten ter beschikking, maar - we zouden het haast vergeten - ooit was dierlijk vet het gewone vet dat in de keuken gebruikt werd. Hierin bekleedde varkensvet of smout de belangrijkste plaats. Rundsvet en boter was minder beschikbaar en te duur voor de gewone volkskeuken.

Het varken werd dan ook met zorg omringd. In een klein kot, waarin het dier soms nauwelijks kon bewegen, werd het vetgemest en hiervoor werden kosten noch moeite gespaard.

In een koele, donkere plaats kan smout lang bewaard worden.

Er zijn verschillende namen voor de pot waarin dat goedje terecht kwam: “vetpot” in de Kempen; “smoutpot” in Vlaanderen en Brabant (ook “smeerpot” en “liespot” komt voor) en “koekepot” in Nederland en in Oosteeklo. Koek en zoete lies zijn volkskundige benamingen voor het lichaamsvet rond de nieren.

Voor het opslaan kunnen tal van vaten in aanmerking komen: kommen, kuipjes, boterpotten, inlegpotten, enz.. Echter, destijds had elk product zijn eigen karakteristiek recipiënt. Zo was het voor iedereen op zicht onmiddellijk duidelijk wat er inzat. Ook de smoutpot had een eigen kenmerkend uiterlijk.

In “Volkshuisraad in Vlaanderen” (1974) formuleert Dr. Jozef Weyns het zo:

Maar de echte vetpot heeft zijn eigen, kenmerkende gedaante. De hoofdkenmerken ervan zijn: de naar boven toe verbredende vorm en de stevige, naar buitenwelvende standring. Die vorm liet toe, gemakkelijk met lepel of vork vet uit de pot te nemen.

We hebben te doen met een eenvoudige maar, naar de vorm, zeer flink stuk aardewerk, van het soort: “gebakken aarde”.

Voor de duidelijkheid staan er een paar tekeningen bij hoe de authentieke smoutpotten er uitzien. Eveneens volgens Weyns werden nog tot na de Eerste Wereldoorlog dergelijke smoutpotten gebakken in Lachenen, een gehucht van Lier. (tekening potten)

Pottenbakker Paul Van Gompel uit Meigem wist mij te vertellen dat er in de pottenbakkerij een onderscheid gemaakt wordt tussen twee hoofdsoorten klei: aardewerkklei en steengoedklei:

- Aardewerkklei (ook gebakken aarde genoemd) is niet bestand tegen een zeer hoge baktemperatuur, maximum 1000 °C. Bij een hogere temperatuur begint de klei te smelten en zakt de pot in elkaar. Na het bakken blijft deze kleisoort ook vocht opnemen - zoals onze bakstenen - en mede daarom werden de potten vroeger beschermd door een loodglazuur (thans verboden) en die begint in de loop der jaren af te schilferen. Naargelang de staat van de afschilfering kan oud aardewerk uit gebakken aarde gedateerd worden.

- Potten uit steengoed (Duits: Steingut; Engels: stoneware; Frans: grès) zijn van een veel betere kwaliteit. Ze worden op 1250 tot 1300°C gebakken en zijn quasi onverslijtbaar. Maar steengoedklei is in Vlaanderen nergens te vinden, wel in Wallonië rond Floreffe, in Nederland rond Venlo en op verschillende plaatsen in Frankrijk en Duitsland.

Deze kleisoort geeft waterdichte potten en kleurt bij het bakken meestal grijs. In onze streek is dit soort aardewerk meestal van de streek rond Keulen afkomstig, daarom wordt steengoedklei bij ons ook Keuls grijs genoemd.

Grote potten zijn manueel moeilijk om draaien, al jaar en dag worden ze gekalibreerd: een laag klei wordt al draaiend tegen een buitenvorm geperst, de vorm wordt verwijderd waarna de versieringen en oren worden aangebracht. Zo krijgt men telkens quasi gelijke potten.

Typisch voor de smoutpot is dat het destijds om een herbruikbare verpakking ging. De slager schafte zich potten aan, vulde ze met smout en stelde ze te koop. Wanneer de pot leeg was, bracht de verbruiker hem terug naar de slager en kocht een andere volle pot. Het spreekt voor zich dat de veelvuldige manipulaties deze toch broze aardewerkpotten fataal werden. Ze zijn dan ook zeer zeldzaam geworden.

Bij de renovatie van ons huis in 1975 vond ik op zolder een oude stenen pot en ik wist meteen dat het een authentieke smoutpot was. Hij had niet enkel de kenmerkende vorm zoals ik het bij Weyns gelezen had, maar wat onmiddellijk opviel was de witte kleurlaag die het vet op de binnenwand had achtergelaten. Hij is dus veelvuldig gebruikt geweest en de verregaande staat van het afgeschilferde glazuur getuigt van een zéér respectabele ouderdom. (foto’s smoutpot)

Onze pot is lichtbruin van kleur, is 38 centimeter hoog, en de mondopening heeft een doorsnede van 24 centimeter. De inhoud is 16 liter.

Het is nog een uniek exemplaar. Op internet heb ik al verschillende keren naar nog een smout- of vetpot gezocht. Er worden wel diverse stenen potten (voornamelijk inmaakpotten) onder die naam aangeboden, maar tot op heden heb ik nog geen enkele andere authentieke smoutpot aangetroffen.

In mijn geboortedorp Schellebelle - en naar ik gehoord heb ook in Landegem - werd de smoutpot afgedekt met een houten deksel, met aan de zijkant een naar binnen afgeschuimd gat. Door dat gat werd de duim gestoken om het deksel gemakkelijk te kunnen lichten. (smoutpot met deksel)

Een houten deksel is zeker niet algemeen. Bij Weyns wordt het niet vermeld. Meestal zal men de pot wel afgedekt hebben met een uitgediende neteldoek (van  brandnetels) of met een of andere lap stof.

Onze smoutpot stond model voor het embleem van “De Orde van de Smoutpot”.

Thuis staat hij in onze leefruimte te pronken naast een kleinere en al even authentieke boterpot uit Keuls grijs.  (boterpot, smoutpot, embleem)

De traditie van het bekappen en beslaan van paarden is al eeuwenoud.

In onze streken waren het de Kelten - meesters in de smeedkunst - die reeds hun paarden ijzers onder de hoeven nagelden. Ze waren o.a. ook de eersten om de wagenwielen van een ijzeren band voorzien.

Hoefijzers moeten voorkomen dat de hoeven beschadigd worden. In streken met een vochtige grond die de hoeven relatief zacht maakt, voorkomen ze beschadigingen die tot infectie zou kunnen leiden. Ook slijtage wordt door het hoefijzer voorkomen. Vooral op kasseien slijten onbeschermde hoeven van trekdieren snel af.

Vroeger zetten armere boeren ook ossen en koeien in als trekdieren en ook die kregen ijzers onder de hoeven. 

 

Het beslaan van paarden is nochtans omstreden. Waarom lijkt het gedomesticeerde paard het enige dier te zijn waarvan de hoeven moeten beschermd worden, terwijl het wild paard dagelijks tientallen kilometers afrent, zowel in drassig weiland als op rotsbodems en over gezonde hoeven beschikt? Waarschijnlijk is de reden te zoeken bij het feit dat gedomesticeerde paarden te lang stil staan op stal, daardoor stagneert de bloedsomloop in de poten met te geringe doorbloeding en brokkelige hoeven tot gevolg. 

 

De Germanen kenden een paardencultus. Paarden mochten niet samen met koeien grazen, ze hadden een aparte weide. Ze stierven een natuurlijke dood en werden begraven op een paardenkerkhof. In zowat elke regio treffen we nu nog paardenweiden en paardenkerkhoven aan. Het paard was een heilig dier, het mocht niet geslacht worden en het vlees mocht niet gegeten worden. Een stelling die later door de Katholieke Kerk werd overgenomen.

 

De Germanen beschouwden het hoefijzer als een onheilwerende en gelukbrengende talisman. Vooral aan het door een hengst verloren hoefijzer werd een beschermende kracht toegeschreven.

Het hoefijzer komt al vroeg als gelukbrenger voor op nieuwjaarskaarten, men bevestigde het aan de mast van schepen en nagelde het boven de deur van een huis. Het is wel van belang hoe men het ophangt: met de opening naar boven, zo kan het geluk er niet uitvallen. Een hoefijzer dat met de opening naar beneden hangt brengt juist ongeluk. Ook werd het onder het bed gelegd als afweer tegen heksen en op de rooster van een waterput opdat deze niet zou uitdrogen en om het water zuiver te houden.

Een kapot hoefijzer over de rechterschouder gooien brengt zeven jaar geluk. In een hoefijzer zaten oorspronkelijk zeven hoefnagelgaten. 

 

Ook in de oosterse cultuur is het hoefijzer een geluksbrenger. Zowat alle rondbogen in de Byzantijnse bouwkunst hebben een hoefijzer structuur. Op die manier worden die draagbogen: “Zo strek als een paard”.

 

Een volksspel dat al heel lang in onze streken bestaat is het hoefijzerwerpen.

Zo vindt men in de stadsarchieven van Sint-Truiden een verbodsbepaling uit 1662, die het hoefijzerwerpen op de wallen en de stadsversterkingen verbiedt.

Ook in Nederland is het hoefijzerwerpen al lang ingeburgerd. Het kasteel van Valkenburg werd in 1672 verwoest en toen kon de regen met het onbeschermde gebouw zijn gang gaan. Enige tijd nadien verscheen een groot gat in de vloer van de  ridderzaal. Later tijdens een opgraving, werd de oorzaak hiervan duidelijk. Gedurende de middeleeuwen werden in de ridderzaal tornooien van hoefijzerwerpen gehouden, hiervoor had men een ijzeren staaf in de vloer gedreven. Zodra deze verwijderd was zocht het regenwater langs daar zijn weg naar beneden waardoor de ondergrond uitspoelde en de vloer verzakte.

Dus diegenen die denken dat hoefijzerwerpen een rasecht cowboyspel uit Texas is, hebben het flink mis.

Terwijl heden de virkens, zoals men in Uëstekluuë zegt, bijna niet meer thuis worden geslacht was dit vroeger een algemeen gebruik. In het najaar werd op zowat elk boerenhof het vetste varken geslacht en waren het drukke tijden voor de boerenslachter. De boerenslachter is nu een verdwijnend beroep, maar vroeger wist hij niet waar eerst begonnen. 

Op de eerste bladzijden uit “Minnehandel” (1904) beschrijft Stijn Streuvels hoe het er aan toe ging. Bij ouderen zal het zeker herinneringen oproepen voor de jongeren wordt het een ontdekkingstocht.  

 

Nu was de slachter in druk bedrijf. Heele godsche dagen moest hij op gang over ’t eenmalig wit-besneeuwde land, van d’ eene hofstede naar d’ andere, om zwijnen te slachten. De velden lagen effen en blank, langs alle kanten wijd uit; de hoven waren toegedekt, vervaagd en onherkennelijk onder de sneeuw, de slonke wegen verdoofd, zonder speur, met de zwaarte daarop van den vuilen winterhemel; maar de slachter droeg de streek als eene landkaart in den kop, omdat hij zijn heel leven de banen afgeketst had, van de eene hoeve naar de andere.

(...) De messen rotelden in de lederen scheede tegen zijn lijf, hij verlegde ’t kapmes op den anderen schouder en onderwijl floot hij tusschen de tanden het deuntje dat hem in ’t hoofd speelde omdat hij het den dag lang gehoord had :

“Wanneer de boer zijn zwijn heeft doodgeslagen

Dan beginnen eerst zijn beste muffeldagen.”

(...) - Ei, ei! De jongens stormden op waar hij verscheen; ze hadden van tenden de laan den slachter herkend. Ze zwaaiden de armen en sprongen en tierden:

- De slachter, de slachter! nu moet het zwijntje… piep!

Ze stonden heel den dag reeds vernibbeld op wacht, vast besloten niets van de gewichtige gebeurtenis te verliezen. Ze vertelden elkaar ’t verloop van de belangende zaak die nakende was. Zie, de slachter had de messen meê en een wreede bijl en eene zaag, en nu spouterden de knapen gauw naar ’t zwijnenhok, en keken over d’ halve deur om nog een laatsten keer het groot zwijn te zien dat er zoo gerust te slapen lag. Zij zelve droegen reeds den angst in hun hart en oogen.

(…) De boer bond het zwijn vast bij den achterpoot en ’t beest kwam traag zwadderend naar buiten gelutst, ’t stak den snuit omhoog en snorkte.

Maar in één wrong lag het gekanteld, ’t schruwelde onder den slachter zijnen knie en rap lijk de weerlicht, had ’t mes de wonde al gesteken, diep in den roeper. De jongens zaten daarbij gehurkt, beangst en aangedaan omdat die roode gulp in de tele stroelde die Anna hield uitgestoken. Zoo gauw bedaarde ’t geweld: ’t zwijn was al dood.

De boerin bracht ’t gereedschap naar buiten en Anna schommelde de ketels bij, haastig om den slachter te gerieven. Dan werd er een beddeken stroo opengeschud om ’t zwijntje ’t haar af te schoeperen. Daarna moest het schoone geschreept en zuiver gewasschen en kop nederwaarts opgehangen aan eene rechtstaande ladder. Nu begon het groot werk: met één rip sneed de slachter den balg open en achter de dikke vetlaag reutelde de warme beuling er uit; de lever, de longen, het hart en de blaas - heel het ingewand lag nu bloot; ’t een na ’t ander werd losgesneden, gewasschen en in huis gedragen. De slachter wrocht haastig voort, zonder opkijken, met vlugge handeling zijn mes drijvend. De jongens keken op zijn handen, tot de pezel er uit was en de blaas en de steert; naar die belangende dingen hadden ze gewacht en nu liepen ze elk om ‘t zijne vechtend over ’t hof.

(...) Zij droeg de wit gewasschene zwijnspootjes naar binnen en liet ze in den grooten ketel plonzen die boven ‘t heerdvuur te warmen hing.

Op 19 en 20 maart wordt in Oosteeklo een bos geplant op de zuidkant van “De Zandrug”.

De geologische ontwikkeling die leidde tot het ontstaan van deze dekzandrug heeft niet alleen de morfologische structuur - en dus het landschap - van Zeeuws-Vlaanderen en het noorden van Oost-Vlaanderen bepaald, maar ook de benedenloop van de Schelde en haar bijrivieren.

Om hierover iets zinnigs te vertellen moeten we ver, heel ver teruggaan in onze tijdrekening.

 

Twee miljoen jaar geleden was het klimaat op aarde warm. Er was nergens permanent ijs, niet op de hoogste bergtoppen en ook niet aan beide polen. Het grootste deel van België was overspoeld door een ondiepe zee, pakweg tot aan de Samber-Maas-lijn in de Ardennen.

Toen kwamen de ijstijden er aan. Door het kouder wordende klimaat ontstonden de ijskappen en begon de zee zich stilaan terug te trekken in noordwestelijke richting tot onze huidige kustlijn ontstond. Mede door de afwisseling tussen de opeenvolgende ijstijden gebeurde dit terugtrekken niet vloeiend maar in verschillende fasen en die zijn in het huidige rivierennet van het Scheldebekken nog duidelijk te zien. De stroomrichtingen van de Gete, Dijle, Zenne, Dender, Bovenschelde en Leie zijn allemaal noordoostelijk georiënteerd en liggen vrijwel evenwijdig met onze huidige kustlijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het terugtrekkende water liet veel zand achter, maar ook kleiplateaus o.a. rond Boom, het Waasland (Steendorp), Kortrijk en Maldegem (Maldegem Kleit).

 

Vanaf 800.000 tot 400.000 jaar geleden werd ten noorden van Gent “De Vlaamse Vallei” gevormd. Dit rivierdal was 20 m diep en - op het smalste deel - 30 km breed.

In een groot, breed estuarium stroomde de Schelde door dit dal naar het noorden en boog verderop af in noordwestelijke richting naar zee. De Leie en de Rupel, met al de andere zijrivieren, sloten toen rond Gent bij de Schelde aan. 

 

Er kwamen vier ijstijden waarvan de laatste (Weichseliaan, 130.000 tot 12.000 jaar geleden)

de koudste was. De Scandinavische poolijskap kwam ongeveer tot halfweg Nederland.

 

De duizenden meters dikke landijsmassa’s (ook in Noord-Amerika en Siberië) deden de zeespiegel zeer sterk dalen en legden grote delen van de Noordzee droog.

Door die lage zeespiegel kenden onze rivieren een groot verval. De Vlaamse Vallei werd tot 100 meter onder het huidig zeeniveau uitgesleten.

Het ijzige klimaat had hier nog een ander gevolg: de bodemvegetatie werd te gering om het grondoppervlak tegen erosie te beschermen. Het landschap van het Vlaanderen van toen valt best te vergelijken met een boomloze arctische steppe. De wind kreeg vrij spel met het losliggende zand en het rivierdal werd stelselmatig gevuld met stuifzand.

Tegen het laatste kwart van de jongste ijstijd was de Vlaamse Vallei reeds helemaal opgevuld tot op ongeveer het huidig niveau.

De oppervlakte-erosie bleef maar voortduren. Löss werd afgezet in de Limburgse Kempen, stuifduinen van rivierzand kwamen er in de Noorder Kempen en ook dichter bij ons: o.a. in Wetteren (komt van “Wetrha” = witte heuvel), in Heusden (de “zandberg”) en op nog zo veel meer plaatsen.  

 

Ongeveer 20.000 jaar geleden gebeurde iets zeer belangrijks dat bepalend werd voor gans het Scheldebekken. Op het smalste stuk van de Vlaamse Vallei - en met de kleiplateaus van Stekene en Maldegem als bruggenhoofd - werd “De Zandrug” opgewaaid die 3 tot 5 km breed en 3 tot 5 meter hoger dan het bestaande valleiniveau zou worden. De Schelde met haar bijrivieren, die nog steeds door dit dal stroomde, werd geleidelijk op een natuurlijke wijze afgedamd. Hierdoor begonnen de binnenwateren te stijgen en werden grote delen van Antwerpen, Brabant, West- en Oost-Vlaanderen één enorm zoetwatermeer.

 
 

De Vlaamse Vallei

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op bovenstaande afbeelding werd de zandrug bijgekleurd en de ligging van Oosteeklo aangeduid.

 

Als een bekken vol is stroomt het over, uiteraard gebeurt dit op het laagst gelegen niveau.

In dit geval gebeurde dat niet in noordelijke richting, over of door de zandrug en via de oorspronkelijke Scheldeloop; maar het was de Rupel die begon over te lopen en er op die manier in slaagde om door de Boomse-klei het “Doorbraakdal van Hoboken” te forceren. Stelselmatig begon het binnenmeer nu leeg te lopen.

Daarop begon de Schelde tussen Gent en Rupelmonde in oostelijke richting - in de vroegere bedding van de Rupel - te stromen om verder, samen met de Rupel en de andere bijrivieren, via Antwerpen haar weg naar zee te zoeken.

Het Scheldebekken zoals wij het nu kennen kwam toen tot stand.

 

Op deze fameuze zandrug ontstond al in de prehistorie een verbindingsweg, die men in de middeleeuwen “Antwerpse Heirweg” zou noemen. Deze weg verbond Antwerpen met Brugge. Het was toen de meest noordelijke weg in het Graafschap Vlaanderen die bij stormvloeden of kustinbraken nooit overstroomde. Hierdoor bleef een permanente verbinding met Antwerpen, Brugge en Gent verzekerd.

 

Begin 13e eeuw vestigden de Cistersiënzerinnen zich langs deze weg en begonnen de nog woeste streek te ontginnen. Het is aan deze abdij dat Oosteeklo zijn ontstaan te danken heeft.

 

Op 18 juli 2011 werd de Antwerpse Heirweg in Oosteeklo als monument beschermd.

………………………..

Bronnen:

            - De Oorsprong der Vlaamse Kustvlakte (1939). J. E. De Langhe.

            - Geschiedenis van Ertvelde (1971) Achiel De Vos.           

- De Schelde. Verhaal van een Rivier (2000). Mark van Strydonck en Guy de Mulder.

Vlaanderen en België in het bijzonder is heden ten dage het bierland bij uitstek. Echter, in de middeleeuwen werd hier meer wijn dan bier geproduceerd. Tot midden de 17de  eeuw was Vlaanderen zelfs een gewaardeerd en vooraanstaand wijnland. In een vorige bijdrage: “De familienaam Van Wynsberge” hebben we het er al over gehad.

 

De beginfase van het bier dateert van zowat 10.000 jaar geleden en situeert zich in Babylonië. Daar had men de gewoonte om nieuw aangemaakte graanpap bij de oude, verzuurde overschot te mengen. Op die manier vergistte het mengsel waardoor alcohol ontstond.

De grondstoffen om bier en brood te maken zijn in oorsprong dezelfde. Bier wordt dan ook nog altijd een vloeibare boterham genoemd.

 

Zoals overal ter wereld had, ook bij ons, bier brouwen oorspronkelijk maar een kleinschalige aanpak. Elke herbergier brouwde hier toen zijn eigen cleyn bier. Dit was bier met een laag alcoholgehalte en het werd slechts beperkt buiten de eigen herberg verkocht (we kennen nog altijd de zegswijze dat is geen klein bier). Zowat iedereen, arm of rijk, dronk thuis toen nog tafelwijn of karnemelk. Men moest op café gaan om bier te drinken. Water drinken was in die dagen bepaald gevaarlijk, daar kreeg men difterie van of cholera. Het was nog hoofdzakelijk oppervlaktewater dat als drinkwater in aanmerking kwam, maar hierin kwam ook alle mogelijke, zowel huishoudelijke als dierlijke afval terecht waardoor dit water zeer sterk bacteriologisch vervuild was. En waar er al een waterput was lag deze doorgaans niet zo ver van de beerput. Van water drinken werd men ziek.

Vergelijk deze situatie maar met de huidige toestand in de ontwikkelingslanden waar zuiver drinkwater nog steeds een groot probleem is.

 

Aan die kleinschalige bierproductie kwam abrupt een einde toen in 1659 door de “Vrede van de Pyreneeën” - op het eind van de Frans-Spaanse oorlog - de druiventeelt als nijverheidsgewas in onze streek verboden werd en de wijnbouw hier verdween.

Als dorstlesser was er toen maar één goed alternatief: bier.

 

Het hoofdbestanddeel van bier is water en omdat bij het brouwproces het water gekookt wordt zijn ook alle microben gedood. De behoefte aan meer bier deed grotere brouwerijen ontstaan. Zo werd b.v. in 1668 aan het veer te Schellebelle een nieuw huis gebouwd, genaamd: “De Paele”. Uit de inventaris van 1690 blijkt dat het, voor die tijd, om een grote brouwerij ging waarvan het bier ook buiten de eigen herberg verkocht werd. Bij gebrek aan huisnummers werd - ten behoeve van de belastingambtenaren - elk handelshuis met een uithangbord aangeduid waarop het symbool van de belangrijkste handelsactiviteit was afgebeeld. Bij brouwers was dit de pael (grote roerspaan gebruikt voor het mengen van het brouwsel, zoals te zien op het etiket van Hoegaarden).

 

Het bier van toen is nog best te vergelijken met ons huidig tafelbier en het werd met liters gedronken. Uit rekeningen van kloosters en gasthuizen blijkt dat 3 tot 5 liter bier, per dag per persoon, een normale portie was.

 

Gezien het lage alcoholgehalte en de nog open bewaarmethodes was dit bier maar zeer beperkt houdbaar. Daarnaast waren, zeker in de winterperiode, de verbindingswegen zeer moeilijk berijdbaar zodat een stabiele bevoorrading van elders vrijwel onmogelijk was. Hierdoor ontstonden in elk dorp, zelfs in elk min of meer afgelegen gehucht, één of meerdere brouwerijen.

Eigen bier was voor de plaatselijke gemeenschap levensnoodzakelijk en de brouwer was dan ook een man van aanzien. Dit blijkt ondermeer uit het feit dat generaties na elkaar de brouwer ook de burgemeester van het dorp was. In Oosteeklo was dit niet anders.

 

Sinds 2008 is er in Oosteeklo terug een eigen brouwerij en is Stefaan De Decker de enige huisbrouwer in Groot Assenede. Burgemeester Philippe De Coninck weze dus gewaarschuwd bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen.

Vanaf 1900 kent men de opkomst van de pils- en streekbieren en er is ook nog de unieke Lambiek/Geus, maar dat is een ander verhaal.

We hebben het terug kunnen bewonderen. De daktimmer van de nieuwbouw van de Braamhoeve was beëindigd en de mei werd gestoken: een tak met groene bladeren wordt in de nok getimmerd zodat hij flink boven het dak uitsteekt. Dit is een oeroud gebruik dat nog in gans Europa voorkomt maar zowat overal aan het verdwijnen is.

De correcte benaming voor deze groene tak is: richtmei. Dit samengesteld woord vergt enige uitleg met name over de vroegere bouwtechniek:

- De eerste lettergreep komt van oprichten. Een huis wordt nog steeds “opgericht” en dat was vroeger letterlijk te nemen.

Eeuwenlang woonde men in vakwerkhuizen. Dit waren huizen waarvan de muren bestonden uit houten geraamten en waarbij de vakken tussen de balken opgevuld werden met wilgenvlechtwerk dat bestreken werd met een mengsel van gesneden stro en leem. De wanden werden van te voren op de grond ineen getimmerd en ijzeren nagels kwamen er niet aan te pas. De balken werden aaneengesloten met uitsparingen en verbonden met grote houten tappen die men er ook kon uithalen. Wanneer al het balkwerk van de muren klaar was - en zoiets kon jaren duren - werd het huis opgetrokken, t.t.z.: met man en macht werden de geraamten recht getrokken en op elkaar gericht. Daarna kwam de afwerking. Onze zegswijze dat een huis wordt “opgetrokken” vindt hier zijn oorsprong.

Hierbij nog even vermelden dat een vakwerkhuis vroeger een roerend goed was. Wanneer men moest verhuizen brak men zijn huis af en richtte het elders opnieuw op. Al het balkwerk was gemerkt zodat men niet te veel moest zoeken welke delen bij elkaar hoorden.

Vanaf de 18de eeuw kwamen er meer en meer stenen huizen en werd een huis een onroerend goed.

- Het oprichten van dit soort vakwerkhuizen gebeurde bijna uitsluitend in de maand mei. Men leefde toen nog in een hoofdzakelijk agrarische maatschappij. De zomer- en oogstmaanden waren voor de boeren te druk. Men had niet de tijd om aan een huis te timmeren. In het najaar werd het graan gedorst en werd het noodzakelijke stro voor de dakbedekking netjes gesorteerd en klaargelegd. In de wintermaanden had men niet veel omhanden, dus tijd om bomen te vellen de balken te zagen of vierkant te kappen en de muurwanden in elkaar te passen. Tegen de maand mei was alles klaar en kon er gericht worden. Gans de buurtschap kwam hierbij helpen en op korte tijd was het gebint af. Maar vooraleer het stro op het dak kwam werd de mei gestoken en werd er uitbundig gefeest. De bouwheer trakteerde de timmerlui en al de werkkrachten die geholpen hadden.

De richtmei is steeds een tak met groene bladeren (in sommige streken ook een naaldboom) of een verse bos bloemen en werd vroeger versierd met flikkerende linten.

Het “steken” van de richtmei - de tak of bloementuil wordt hoog in de lucht gestoken - is een Germaans gebruik en in oorsprong een vruchtbaarheidsritueel. De ontloken natuur werd gehuldigd en om een vruchtbare oogst gevraagd.

Bij een nieuwbouwhuis evolueerde het gebruik als symbool om voorspoed te vragen voor het huis en zijn bewoners. Het huis zou hierdoor gevrijwaard worden van donder en bliksem - in christelijke gezinnen nam de groene gewijde palmtak die taak over - en door de linten werden de boze geesten en heksen afgeschrikt. 

Niet alleen bij nieuwe huizen komt of kwam dit gebruik voor. Nog begin vorige eeuw was het bij drukkers gebruikelijk om bij de aanvang van een belangrijk drukwerk een groene tak op de drukpers te steken.

Voetwegen, veldwegen, kerkwegels, binnenwegen, kleine wegen, buurtwegen, jaagpaden … allemaal namen voor wat we nu: “Trage Wegen” noemen, wegen voor trage weggebruikers.

 

Zo ontstonden ze ook. Destijds waren alle weggebruikers, naar onze huidige normen, “traag”. Men ging nog bijna uitsluitend te voet en daarbij week men nogal eens af van de bestaande weg door de korst mogelijke afstand te nemen om naar de kerk een wijk een buurtdorp te gaan. Daarbij volgde men meestal het bestaand traject van een gracht, een watergang, een beek, een perceelgrens en men liep dwars door het veld na de graan- of aardappeloogst.

Om maar te zeggen dat veel trage wegen - net zoals alle andere wegen - in oorsprong op private gronden liggen.

In de loop der jaren werden al heel wat van die paden openbaar domein en groeiden uit tot echte verbindingswegen, zelfs woonstraten (b.v.: de Abdijstraat, de Bosstraat, het Groentsen, de Cisterciënzerinnenstraat …).

 

Bij het begin van de Belgische onafhankelijkheid was de wetgever al bevreesd dat “de kleine wegen” zoals men ze toen noemde, zouden verdwijnen.

Door de wet op de buurtwegen van 10 april 1841 kregen alle wegen en paden in één klap een openbaar statuut en werden ze openbaar domein. Een gevolg van die wet is ook dat - in tegenstelling tot erfdienstbaarheid dat op termijn kan uitdoven - de trage wegen enkel kunnen verdwijnen na een besluit van een hoger bestuursorgaan of een gerechtelijke uitspraak.

Door de wet werden de gemeenten ook verplicht om dit patrimonium te onderhouden, maar eerst werd alles in kaart gebracht, de wegen werden genummerd, ze werden opgemeten en onder hun bestaande naam ingeschreven. Zo ontstond de “Atlas der Buurtwegen”. Die beperkt zich niet tot de voetwegen alleen, maar beschrijft alle wegen die er toen in de gemeente in gebruik waren. Voor Oosteeklo werd de atlas in 1848 opgemaakt.

Wegen of paden die later ontstonden en waarvan - indien intussen verdwenen - enig bestaansbewijs kan geleverd worden, genieten hetzelfde statuut.

 

Vandaag is het de Vlaamse Regering die zich zorgen maakt over het verdwijnen van dit erfgoed en het project van De Trage Wegen heeft opgestart. Niet te verwonderen, er is een nieuwe categorie trage weggebruikers ontstaan: de vrijetijdsmensen, fietsers, recreanten, wandelaars en vooral niet te vergeten: in onze snelle wereld waarin de trage weggebruikers de zwakke weggebruiker geworden zijn, zijn de  trage wegen vooral veilige wegen.

 

In 2008 kreeg de fusiegemeente Assenede de vraag om aan het project mee te werken en meteen reageerde het Bewonersplatform Oosteeklo enthousiast.

De werkgroep “Verkeer en verkeersinfrastructuur” was van oordeel dat - voornamelijk het onderzoek van de toestand ter plaatse - een van haar deeltaken was. Tom Gorré en zijn team van Regionaal Landschap Meetjesland nam het opzoekings- & voorbereidend werk in handen. De trage wegen uit de Buurtatlas en van het Nationaal Geografisch Instituut werden in kaart gebracht en het veldwerk, de prospectie ter plaatse kon beginnen. Etienne, Michiel, Gratiaan, Danny en Guido waren daar toch een paar dagen bedrijvig in.

 

Zondag 24 oktober werd het “Tereeckensche voetpad” - waarvan een gedeelte ontoegankelijk geworden was - feestelijk heropend. Dit pad is de kortste verbinding tussen Oosteeklo- en Ertveldedorp en wordt in sommige documenten ook: “Den Landweg” genoemd.

Eeuwenlang hadden de mensen hier één enkele naam: de persoonsnaam, voornaam en die was voor het overgrote deel van Germaanse oorsprong.

Germaanse namen zijn steeds samengestelde namen, ze bevatten twee stamwoorden en die zijn onderling combineerbaar. Op die manier beschikte men theoretisch over een eindeloze voorraad namen, ruim voldoende om aan elke persoon uit de toenmalige samenleving een unieke naam te geven.

Later kwamen ook Keltische, Griekse, Romeinse en vooral Bijbelse voornamen in gebruik.

 

Bij de opkomst van de steden, gevolgd door de toename van de bevolkingsdichtheid kwam het één-naam-systeem toch meer en meer onder druk en begon men een tweede voornaam of toenaam toe te voegen. Nog tot kort geleden was het gebruikelijk om een tweede zelfs derde voornaam aan de kinderen te geven, deze gewoonte was en is dus oeroud.

Mede onder invloed van de adel - waar men al lang de gewoonte had om zijn afkomst of de naam van zijn landgoed achter zijn voornaam te plakken - begon eerst de burgerij en later vrijwel iedere man (in het begin was het vooral een mannenzaak) zich een achternaam toe te eigenen.

In de 13de eeuw had in het graafschap Vlaanderen 90% van de mannen en 60% van de vrouwen al een achternaam. Let wel: van een overerfbare familienaam was er in die periode nog geen sprake. Elke persoon gebruikte de achternaam waarvan hij of iemand anders van oordeel was dat die best bij hem paste. Dit is nog lang bij de adel gebruikelijk geweest, zelfs nu nog heeft onze koninklijke familie geen erfelijke achternaam.

 

Het tijdstip van de overerfbaarheid van achternamen verschilt van streek tot streek. In het graafschap Vlaanderen is dit eind 15de eeuw. In Limburg en vooral Noord-Nederland is dat veel later. Van dan af kunnen we van familienamen, eigennamen of geslachtsnamen spreken en het bleef een mannenzaak.

Die overerfbaarheid verhinderde niet dat er toch nog steeds naar eigen goeddunken achternamen konden veranderd en/of bijgemaakt worden. De Franse Revolutie maakte hier een eind aan.

 

Nadat in 1794 de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd waren, werd vanaf 1796 ook hier de burgerlijke stand ingevoerd. In een register werden akten opgemaakt bij geboorte, huwelijk, echtscheiding en overlijden. Elke inwoner werd ingeschreven met voor- en achternaam en de kinderen met de achternaam van de vader. De overerfbaarheid van de familienaam is nu definitief en in mannelijke lijn, tevens ligt nu ook het aantal en de schrijfwijze van onze eigennamen vast, ze kunnen alleen nog - vroeger zeer omslachtig maar momenteel vrij eenvoudig - door een koninklijk besluit veranderd en/of vernieuwd worden.

Dit brengt wel een verarming van ons namenbestand met zich mee. Jaarlijks verdwijnen er familienamen en nemen de meest voorkomende achternamen nog in aantal toe. Daarenboven brengen bijna uitsluitend inwijkelingen nog nieuwe achternamen aan, hierdoor neemt ook het aantal uitheemse namen toe dit ten nadele van het aantal inheemse familienamen die blijvend achteruit gaan.

 

In Nederland was het Napoleon die in 1811 de burgerlijke stand invoerde.

Menigeen is van mening dat toen heel wat Nederlanders uit protest een burleske naam opgaven waar ze nu mee opgezadeld zitten. Dit is fout, vrijwel alle Nederlanders hadden al een achternaam en namen zoals het vaak geciteerde: “Naaktgeboren” of “Piet uit de Broek” bestonden al lang vóór de registratie van 1811.

 

Wat wel opvalt is een duidelijk verschil in schrijfwijze tussen Nederland en Vlaanderen van een zelfde eigennaam b.v.: De Kuiper in Nederland, De Cuyper in Vlaanderen. Dit komt omdat in Nederland in 1804 - dus zeven jaar vóór de verplichte naam registratie - de eerste officiële spelling: “de spelling-Siegenbeek” van kracht werd. In Vlaanderen was de registratie van de burgerlijke stand toen al jaren achter de rug. Tevens werd die spelling hier niet aangenomen, ze werd als te Hollands en te protestants ervaren. Het zal nog tot 1844 duren voordat hier de eerste officiële spelling: de “Willems-spelling” in voege treedt. 

De termijn van een huurcontract is steeds drie jaar of een veelvoud ervan (behoudens enkele uitzonderingen b.v.: voor studentenkoten). Bij een vroegere opzeg kan een schadevergoeding gevraagd worden.

Dit gebruik is eeuwenoud, heeft zijn oorsprong bij de landbouwnederzettingen die aan graanbouw deden en gaat bij ons terug tot in de Gallo-Romeinse tijd.

Om dit te verduidelijken moeten we even het “drieslagstelsel” uitleggen.

Ten einde de grond niet uit te putten werd al vanouds aan vruchtopvolging gedaan.

Eertijds werden er hoofdzakelijk twee soorten vruchten gezaaid: het broodgraan (wintergraan) en het zomergraan. De aardappel- en maïsteelt bestond hier toen nog niet.

Om een behoorlijke opbrengst te verzekeren moest het broodgraan (“hard graan”: spelt, tarwe …) vóór de winter gezaaid worden. Dit graan was het belangrijkste voedsel voor de mens en moest in de meest vruchtbare bodem komen, dus: goed bewerkte grond, ontdaan van onkruiden en pas bemest. Op hetzelfde perceel werd het volgende jaar zomergraan gezaaid. Hiervoor werd de grond niet meer grondig bewerkt noch bemest. Het zomergraan (“murw graan”: haver, gerst, rogge …) was voor het vee bedoeld ook om bier te brouwen en voor menselijke consumptie wanneer de wintergraanoogst tegenviel. Het derde jaar werd het perceel niet meer bezaaid: de bouwlaag was uitgeput, verhard en overwoekerd door onkruiden. Het land werd verkruimeld, gezuiverd en de beschikbare mest werd ondergewerkt. 

Dit was het “drieslagstelsel”.

Aangezien de boer hetzelfde jaar zowel wintergranen voor de mens als zomergranen voor de dieren moest voortbrengen, verdeelde hij zijn beschikbare landbouwgrond in drie gelijke percelen. Die driedeling is in West-Europa met een gematigd klimaat overal terug te vinden. 

Voor het pachten van een van die percelen werd op het derde jaar gewacht, dan was de grond niet bebouwd en het minst waard. Zo niet moest, afhankelijk van het drieslagjaar, nog een vergoeding voor de  nog op het veld staande vrucht en/of de geleverde grondbewerking en de ingebrachte mest betaald worden: de prijzij.

Deze driejaarstermijn was zo vanzelfsprekend dat hij in alle huurcontracten werd toegepast. Zo lezen we in “De Costuymen vande de twee Steden ende de Lande van Aelst”:  Alle termijnen van drij ses ofte neghen jaeren sijn ghehouden voor goede ende loyaele termijnen.

Zo zie je, de reden waarom huurcontracten telkens een termijn van drie jaar omvatten zit zo eenvoudig  ineen.

De discussie over hernieuwbare energie wordt op de diverse terreinen gevoerd. Hierbij staan vooral de zonnepanelen en windturbines in de belangstelling. Wat - bij mijn weten - in nog geen enkel forum ter sprake is gekomen is het feit dat, tot pakweg 250 jaar geleden, alle energie hernieuwbaar was.

Eeuwenlang kenden we maar drie energieleveranciers: spierkracht van mens of dier, wind- en watermolens. Vlaanderen bezit nog steeds een belangrijk molenpatrimonium, maar het is nog slechts een fractie van wat het ooit geweest is.

Watermolens kende men al van in de vroege oudheid en zijn over de ganse wereld verspreid. Ze werden vooral aan beken met een constant verval geïnstalleerd. Naar gelang de aandrijving onderscheidt men boven- of onderslagmolens. In onze gekende beekvalleien resten er ons nog prachtexemplaren. Er is echter nog een derde type watermolen die dienstig is in stroombekkens met een gering verval: de turbinemolen, het rad ligt hier horizontaal in het water. Dit soort watermolen is zeer zeldzaam. Een uniek en beschermd exemplaar hiervan bevindt zich nog te Schellebelle, maar hij is in een erbarmelijke staat: het molenhuis is ingestort, de watergang toegeslibd en het molenrad ligt te roesten in de modder.

Aan getijdenrivieren in het laagland kwamen ook nog getijdenmolens voor: bij vloed stroomde het water in een waterbekken en werd gestockeerd waarna men bij eb het opgeslagen water over of onder een waterrad liet lopen. Dergelijke molens waren 12 uur per dag in gebruik ze waren niet afhankelijk van neerslag en kenden geen watergebrek bij droogte of wanneer bv. in een watergang een stroomopwaartse molenaar te veel water voor zichzelf had gestockeerd en “over zijn peil” gegaan was en dus waren getijdenmolens veel bedrijfszekerder.

In Frankrijk zijn er nog verschillende in werking, o.a. “Moulin du Prat” op een zijarm van de Rance in Bretagne.

Bij ons ligt, bij mijn weten, aan de Vliet te Rupelmonde de enige site van een getijdenmolen die Vlaanderen nog rest, maar ooit kende het Scheldebekken meer dan 32 van dit soort molens.

Windmolens is een ander verhaal.

Volgens de literatuur werd het concept door de eerste kruisvaarders meegebracht uit het Midden-Oosten, maar blijkbaar is het net andersom.

In zijn ‘Estoire de la Guerre Sainte’ beschrijft kroniekschrijver en minnezanger Ambroise, het beleg van Akko in 1189 door o.a. Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen. Hij verhaalt dat de kruisvaarders om in hun voedselbevoorrading te voorzien: “ils firent premièrement le tout premier moulin à vent qui jamais fut fait en Syrie …” (ze maakten eerst en vooral de eerste windmolen die ooit in Syrië gemaakt was) een machine dat grote indruk maakte en angst inboezemde.

De oudste windmolenvermelding gaat terug tot 1067 in de inventaris der goederen van de abdij van Sint-Winoksbergen (Frans-Vlaanderen). Dus mogen we stellen dat de windmolen uit Vlaanderen komt en van daaruit Europa veroverd heeft.

In ”Le Veil Rentier d’ Audenarde” (1275) en in het handschrift nr. 1175 van de koninklijke bibliotheek van Brussel (eveneens rond 1275) staan de oudst gekende afbeeldingen. Het zijn standaardmolens, met alles er op en er aan, zoals we ze bijna 800 jaar later nog steeds kennen. In de Windgatstraat in het naburige Lembeke staat er zo een en op de stadswallen van Brugge, bij de kruispoort, zijn er nog 2 te bezoeken. Maar - zoals al aangehaald - rest nog slechts een fractie van wat het ooit geweest is.

Ter verduidelijking: Gent telde in 1830 nog 45 stadsmolens en Brugge had er in 1860 nog 34.

Standaardmolens hebben hun beperkingen: de wieken zitten vast aan het molenhuis en dus moet de ganse constructie naar de wind kunnen gedraaid worden. Ze konden dus enkel in hout rond een staak: “de standaard”, opgebouwd worden.

In 1573 (of 1582 ?) kwam hier verandering in. Molenbouwer Lieven Andries uit Moerbeke-Waas vond een gans nieuw concept uit: de “bovenkruier”, de molenwieken zitten vast aan de molenkop en enkel dit molengedeelte moet, met de hulp van een buitenstellage, naar de wind gedraaid worden (kruien). Aangezien het molenhuis nu op de grond staat is het veel stabieler en veel minder onderhevig aan de gevolgen van noodweer. Meteen kunnen er ook stenen en grotere windmolens gebouwd worden. De molen van Ertvelde is een bovenkruier.

Deze inventie was revolutionair voor zijn tijd en verspreidde zich over gans Europa. Men beschikte nu over een, voor die tijd, goedkope en betrouwbare energieleverancier. Het was dit soort molen dat o.a. gebruikt werd - door middel van de vijs van Archimedes - voor het “bemalen” (oorspronkelijk werden molens bijna uitsluitend gebruikt om granen te malen) en in cultuur brengen van natte gronden. De ganse wereld kent het plaatje van de typisch houten achtkantige “Hollandse koffiepotmolen” die de Nederlandse polders heeft drooggelegd, maar de architect ervan was wel een Vlaming. In Nederland waren er ooit ongeveer 10.000 van deze molens in gebruik. Bij ons werden “De Moeren” bij Veurne ermee drooggelegd, in Frankrijk aan de westkust o.a. “De Landes” (van het Nederlandstalige woord: “land”), nabij Rome de “Pontijnse moerassen” en zo meer. 

Aan het nieuwe model werd nog wel een paar verbeteringen aangebracht: de wieken werden verdesterd zodat de windenergie beter benut werd en er kwam een “binnenkruier” zoals de molen van Wippelgem. Het naar de wind kruien van de molenwieken gebeurt hier door middel van een raderwerk in de molenkop, de buitenstellage is niet meer nodig.

Vooraleer men her en der windmolenparken gaat inplanten en zonnepanelen ten koste van de gewone verbruiker subsidieert, kan men misschien eens overwegen om eerst en vooral onze vroegere, nog bestaande maar wegkwijnende groene energieleveranciers: de wind- en watermolens, te benutten en ze van een elektriciteitsproductie-eenheid voorzien die met het net verbonden is. 

Hierbij blijft mij het beeld voor ogen van de koeltorens van de kerncentrale van Doel met op de achtergrond nog een oude windmolen langs de Scheldedijk. Kernenergie is gedoemd om te verdwijnen. Misschien overleeft deze oude en groene stroom producerende windmolen de kerncentrale van Doel.

In Oosteeklo stonden ooit twee windmolens, één aan de Ertveldesteenweg en één in de Molenhoek. De straatnaam is nog het enige dat er aan herinnert.

Na onze vorige uiteenzetting kregen we heel wat vragen van mensen die op zoek waren naar de betekenis van hun familienaam. We handelen dit even af.

Onze familienamen worden ingedeeld in vier hoofdgroepen:

            1: verwantschap: patroniem, metroniem …

            2: plaats: woonachtig bij, afkomstig van …

            3: beroep

            4: eigenschap: bijnaam, lichamelijk kenmerk, karaktertrek …. 

 

* Boudry, Bouderij, Baldri …: patroniem. 

            Tweeledige Germaanse voornaam “Bouderik” gevormd door: baltha = stoutmoedig        (bout) en rikja = machtig, rijk.

            De betekenis is dus: “stoutmoedige heerser”.

* Criel, Krill, Krielen …:

            - Ofwel een bijnaam afkomstig van het Frans: grillon, cri-cri, of van het Duits: grille =   krekel. De betekenis is dan: “werkzaam als een krekel” of “met het stemgeluid van een        krekel”.

            - Ofwel een patroniem: samentrekking van de Latijnse voornaam Cornelius. De betekenis is dan: “de gehoornde”.

* Dellano, Delausnay, Van de Lanotte …: plaatsnaam.

- Ofwel van het Keltisch: aunaie = els.

- Ofwel het Latijn: alnetum = els.

De betekenis is dus: “woonachtig bij een plaats waar elzen groeien” (Van der Elst).

* De Pauw, De Pau, Spauwen …: bijnaam.

            Iemand met de eigenschappen van een pauw, een trots mens.

* Dewanckel, Dewankele …: bijnaam.

- Ofwel figuurlijk: iemand met een wispelturig karakter.

- Ofwel letterlijk: iemand die onvast te been is.

* De Zutter, De Sutter, Cieters …: beroepsnaam.

            Iemand met een zittend beroep ofwel: naaier, kleermaker; ofwel: schoenmaker.

* Geldolf, Geldhof, Gelthooft …: patroniem.

            Tweeledige Germaanse voornaam: gelda = geld en wulfa = wolf.

            De betekenis is dus: “waardevolle wolf”

* Hebbrecht, Herbrecht, Hebers …: patroniem.

            Tweeledige Germaanse voornaam: harja = leger en bertha = schitterend, glorierijk.

            De betekenis is dus: “dappere krijger”.

* Lecompte, Lecontre, Laconte …: Franse beroepsnaam.

Graaf, dijkgraaf: verantwoordelijke voor de graafwerken en het onderhoud van een ingepolderd stuk land.

* Mahieu, Mayeux, Mahy …: patroniem.

Afkomstig van de Bijbelse voornaam: Mattheus = geschenk van god (Dieudonné).

* Russe, Vanderusse, Verhulst …: plaatsnaam,

Woonachtig bij een plaats waar hulst groeit.

* Ryckaert, Ricca, Rijssaert …: patroniem.

            Tweeledige Germaanse voornaam: rikja = rijk, machtig en hardu = sterk.

            De betekenis is dus: “sterke heerser”.

* Salommez, Salamé, Solemé …: verwantschap.

- Ofwel een Grieks metroniem van de Bijbelse voornaam:   Salome = vrede van Zion.

- Ofwel een patroniem als verkleinwoord van de Bijbelse voornaam: Salomon = de vreedzame.

* Soenen, Zoonens, Sunnen …: patroniem.

            Vleivorm van de Germaanse voornaam: sona = zoen

De betekenis is dus: “lieveling”.

* Van Vooren, Van De Voorde …: plaatsnaam.

            Woonachtig bij de voorde = doorwaadbare plaats.

* Wille, Wiels, Wols …: patroniem.

            Verkorting van de tweeledige Germaanse voornaam wilhelm: wiljan = wil, wilskrachtig             en helma = helm, bescherming.

            De betekenis is dus: “wilskrachtige beschermer”.

Wij zijn nu gewoon aan de geheime enkelvoudige stemplicht, maar dit was in het begin van de Belgische onafhankelijkheid geenszins het geval.

Een overzicht van onze kieswetgeving

 

 - Drie november 1830. Eerste kiezing in het nieuwe België.

Er zijn 46 000 mannelijke kiezers geselecteerd op basis van rijkdom en bekwaamheid. Dit is minder dan 1 kiezer op 100 in­woners.

- Drie maart 1831. Eerste kieswet in België.

Gedifferentieerde kiescijfers worden ingevoerd. Alle mannen ouder dan 25 jaar mogen kiezen wanneer: de mannen woonachtig op het platteland ten minste 20 florijnen als directe be­lasting betalen en de stedelingen ten minste 100 florijnen. Dit systeem bevoordeeld het klerikaal gezind platte land tegenover het meer liberaal getint stedelijk milieu. Er zijn 55 000 kiezers.

- In 1847 behalen de Liberalen de volstrekte meerderheid en on­middellijk wordt de kiescijns verlaagd tot het grondwettelij­ke minimum van 20 florijnen voor iedereen. Hierdoor bekomt men 79 000 kiezers of 8 % van de volwassen mannen, dit is 2 kiezers op 100 inwoners.

Ter vergelijking, in die tijd tellen: Groot-Brittannië 11 kiezers op 100 inwoners; Duitsland 20 kiezers op 100 inwoners en Frankrijk 26 kiezers op 100 inwoners.

- Zeven september 1893. Een nieuwe kieswet voert de algemene meervoudige stemplicht in.

Dit is een compromis onder druk van het opkomend socialisme: alle mannen ouder dan 25 jaar krijgen 1 stem (om voor de senaat te stemmen moet men ouder zijn dan 30 jaar). Iedere man ouder dan 35 jaar, gezinshoofd en die ten­minste 5 Fr. persoonlijke belasting betaalt, krijgt een bijkomende stem. Volgens rijkdom (een kadastraal inkomen van minstens 48 Fr.) en bekwaamheid (een kies­examen werd 2 x per jaar afgenomen) krijgt men maximum 3 en voor de gemeenteraadsverkiezingen tot 4 stemmen.

Het aantal kiezers stijgt tot 1 370 687 en het aantal stemmen boven de twee miljoen.

Naast het invoeren van de kiesplicht moeten vanaf nu alle verkiezingen op een zondag georganiseerd worden.

- In 1899 voert men nog de wet op de evenredige vertegenwoordi­ging in. Door een systeem van lijstenkoppeling of apparente­ring kunnen restgedeelten van een lijst nog globaal benut worden.

- De wet van 16 november 1919 voert de algemene en enkelvoudige stemplicht in voor mannen ouder dan 21 jaar. 

- Op 27 maart 1948 krijgen ook vrouwen ouder dan 21 jaar stem­plicht.

 

Hoe verliepen de verkiezingen rond 1870?

 

Van eenvormige stembrieven was er geen sprake. Elke politieke partij maakte zijn eigen stembrief op, die werden op voorhand verspreid en thuis ingevuld. De kiezer kon zich dus evenveel stembrieven aanschaffen als er partijen waren. Weigerde een kiezer het aangeboden stembriefje van een par­tij, dan stond dit uiteraard voor die partij vast dat men voor een ander stemde.

Ook stemhokjes bestonden niet. Op de dag van de kiezing moest de stemgerechtigde zich naar het aangewezen kiesbureel begeven. Wanneer zijn naam werd afgeroepen diende de kiezer naar voor te komen en zijn ingevuld stembriefje in de stembus te steken.

De kiesbriefjes waren volgens de partijkleur gemerkt, zo kon men bij de kiezing zien op welke partij men stemde. Werknemers werden zo in de gaten gehouden en verplicht om voor de lijst van de werkgever te stemmen. Ontslagen van werknemers en broodroven van zelfstandigen was schering en inslag.

 

Dit soort kiezing kan men moeilijk democratisch en ge­heim noemen. Iedereen wist van iedereen voor wie hij stemde. Een totale verzuiling was daarvan het gevolg.

In die tijd waren maar twee grote politieke partijen. De Liberalen en de Katholieken. Deze beide zuilen beconcurreerden elkaar voortdurend en leefden volledig naast elkaar, met eigen scholen, winkels, fabrieken, enz. ... Het was voor het opkomend socialisme dan ook zeer moeilijk daartussen voet aan grond te krijgen. Die zagen zich dan ook verplicht om een compleet eigen zuil op te richten.

Kaazakken mee haareenk is wat je een oud streekgerecht zou kunnen noemen, vooral bekend bij ons in het noorden van het Meetjesland.

Kazakken zijn blijkbaar kleine patatjes, nu zouden we krielaardappelen zeggen. Voor zover bekend zijn er geen aardappelen die kazakken of kozakken, of iets van die aard, noemen. Toch wordt dit woord ook in andere streken dan in het Meetjesland gebruikt om krielpatatjes aan te duiden.

Toevallig zijn we ook op het spoor gekomen van de oorsprong van dit streekgerecht. Het is een verhaal dat ergens rond 1814 begint.

 

Napoleon - verbannen naar Elba - wist daar te ontsnappen en rukte met zijn bevriende officieren en hun legers, op vanuit het zuiden van Frankrijk richting noorden. Dit tot grote schrik en verbazing van gans Europa en vooral van de Franse koning Lodewijk de 18e of te wel Louis XVIII (dix-huit). Louis sloeg op de vlucht en kwam al snel in Gent terecht - België was in Franse handen en maakte als dusdanig deel uit van het Franse Rijk - waar hij dacht veilig te zitten. Veilig en in luxe, want onze Louis verbleef in de Veldstraat in het Hotel D’haene-Steenhuyze. Hotel dat nu een museum is en zich naast de C&A bevindt.

Louis was nogal corpulent, zat vaak voor het venster, verorberde hopen oesters en dronk daarbij de nodige champagne. Door zijn zwaarlijvigheid zat hij dan ook vaak te transpireren. In Gent noemde men hem algauw in plaats van  Lowie “dix-huit”, Lowie die zwiët.

Er was daar toen nog ander ‘schoon volk’ in Gent, want in die zelfde periode zat daar de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, John Quincie Adams te wachten op de Engelsen, om zijn  ‘Treaty of Ghent’ af te sluiten.

John Quincy Adams werd later de 6e president van de VS, maar dat geheel terzijde.

 

Toen Napoleon dichterbij kwam sloeg de schrik om het hart van onze Lowie en al snel vroeg hij aan de andere geallieerden om hulp. Via de Amerikaanse ambassadeur beloofde de Tsaar van Rusland Lowie een leger van Kozakken. Uiteindelijk bleken het er maar een paar honderd te zijn en toen ze in Gent aankwamen werden ze in de buurt van Ledeberg ondergebracht. Vandaar dat die wijk nu “Moscou” noemt. Met tram 4 kan je nog altijd van St. Pieters naar Moscou rijden.

Nog vóór Napoleon uiteindelijk in Waterloo verslagen werd, vluchtten de Kozakken naar het noorden van het Meetjesland om vandaar via de Braakman en de havens van Boekhoute, Philippine en Hoek naar veiliger oorden te vertrekken. De weersomstandigheden zaten hen echter tegen en noodgedwongen moesten ze hun verblijf daar in het Meetjesland rekken. 

Erg gastvrij werden ze daar niet ontvangen zodat ze voor voedsel grotendeels op zichzelf aangewezen waren. Gelukkig zat er in de Braakman veel vis en zeker haring was in overvloed aanwezig. 

Het moet rond de tijd geweest zijn dat de boeren hun patatten van het land haalden. Iedereen weet - en het is vandaag de dag nog altijd een gewoonte - dat de resterende aardappelen gratis van het veld mogen geraapt worden, wat dan nog overblijft zijn de allerkleinste patatjes, de krielpatatjes, iets waar niemand toen in geïnteresseerd was behalve die hongerige Kozakken natuurlijk. Dus, in open lucht maakten ze vuur en gooiden die kleine aardappeltjes erin om ze daarna met verse haring te verorberen.

 

En daarom noemden men de krielpatatjes die in een open vuur gegaard zijn “kazakken”!

Dit moet onze voorouders opgevallen zijn, want ook in mijn jeugd stond vaak - en dat meestal op zaterdag - kaazakken mee haareenk op het menu.

Algemeen wordt aangenomen, dat de hygiënische omstandigheden waarmee men met de menselijke ontlasting omgaat, een graadmeter is voor het bereikte beschavingspeil. Zo kenden de Romeinen al openbare toiletten met waterspoeling: een stenenplaat of houten plank met grote gaten, geïnstalleerd boven een greppel met stromend water. Er was plaats voor soms meer dan twintig personen, klein of groot, arm of rijk, allen gezellig naast elkaar. Om zich af te kuisen werd een handborstel, ondergedompeld in water, gebruikt, best te vergelijken met de wc-borstel van nu.

 

Bij ons waren al van in de middeleeuwen de kloosters voorzien van een ingerichte toiletruimte met bijhorende beerput en aan de buitenzijde van heel wat middeleeuwse gebouwen is een - meestal rechthoekige - uitspringende nis te zien. Wedden dat die nis oorspronkelijk afgesloten was door een zitplank met een groot gat in.

 

Er kwamen ook verordeningen, in de 15de eeuw was het ledigen van beerputten in Antwerpen al streng gereglementeerd: het mocht o.a. enkel nog snachts gebeuren. In de steden hadden alleen de huizen van de welgestelden een beerput, de gewone stadsbewoner behielp zich met een kamerpot en de inhoud ervan werd steevast op straat gegooid. Goed dat de varkens toen nog vrij rondliepen, die ruimden alles op. Dat allemaal terwijl men aan het Franse hof, zowel in het Louvre als te Versaille nog in de 18de eeuw over geen degelijk toilet beschikte. Men deed er zijn gevoeg in huis, achter deuren en gordijnen, in zoverre zelfs dat de stank ondraaglijk werd. Dit bracht de noodzaak om zich te parfumeren met zich mee. Onze zegswijze: van boven pront, van onder stront alludeert hier nog naar.

 

Om aan zijn natuurlijke behoefte te voldoen ging men vroeger “naar de koer” of “naar achter”, meteen een aanduiding waar het “latrinaire gebeuren” plaats vond: de meest hygiënische plaat op het erf, enigszins verwijderd van huis en waterput.

Tegenwoordig kun je dit niet meer zeggen want in zowat alle nieuwbouw huizen is het toilet in huis - meestal naast de voordeur - ingericht en is er opnieuw parfum of een luchtverfrisser nodig om de geur te verdoezelen.

 

Voor het ontlastingskamertje bestaan heel wat omfloerste benamingen. Blijkbaar is het beschavingspeil van de westerse cultuur recht evenredig met de verdoezeling van waar het hier eigenlijk om gaat. Lyrisch spreekt men van: “het kleinste kamertje”, in de VS noemt men het: “de badroom”, in Engeland kwam “wc” (watercloset: met water afgesloten toiletpot) in gebruik, een naam die samen met “toilet” momenteel ook bij ons het meest gangbaar is.

Er bestaan ook nog heel wat volkse benamingen: schijthuis laat niets meer aan de verbeelding over en wordt als vulgair bestempeld, daarnaast kennen we nog: het sekreet, het privaat, het gemak, de lavatorie, het huisken en het vertrek.

 

De geciteerde benamingen zijn binnen de gestelde context min of meer te begrijpen, behalve: vertrek. Hoe komt het dat wij in het dialect vertrek zeggen om het toilet te benoemen?

Eigenlijk vrij logisch en eenvoudig, maar een vergeten onderdeel uit onze cultuurgeschiedenis.

Bij ‘van Dale’ lezen we: “vertrek: (...) ruimte in een voor woning bestemd gebouw”. Dat is het dus niet. Het vertrek was in de late middeleeuwen een alleenstaand ontlastingshuisje, opgetrokken uit hout en stro of riet, dat boven een greppel of een ondiepe put opgesteld stond en ... het was verplaatsbaar. Wanneer de ruimte eronder vol was werd het vertrokken naar een volgend deel van de greppel of een nieuwe put. Het verhuisde dus voortdurend. Dat had verschillende voordelen: een beerput was niet nodig en op de benutte plaatsen ontstond vruchtbare grond. Aangezien toiletpapier nog niet was uitgevonden reinigde men zich na de stoelgang met gras, bladeren of hooi maar ook versleten linnen, schelpen, vlas- en houtafval enz. waren dienstig. Zo ontstond een mengeling van natte en droge stof, de ideale voorwaarde voor compostvorming. De biologische wc avant la lettre.

Zoals je begrijpt kon je dit verplaatsbaar huisken alleen maar op het platteland aantreffen, in de steden was daar geen plaats voor. 

 

Kijk eens aandachtig naar de boerentaferelen van onze oud Vlaamse schilders, o.a. Abraham en David Teniers, Breugel enz., regelmatig zie je op de afbeeldingen een klein alleenstaand gebouwtje, zonder deur, in een verloren hoek maar toch in de nabijheid van de woning.

Dit laatste maar goed ook want de natuur moet zijn gang gaan en bij hoge nood laat men best alles in de steek en komt het goed uit om niet te ver te moeten lopen.

Immers, zoals mijn grootmoeder herhaaldelijk en geraadzaam wist te zeggen:

Kakken,

gaat voor ’t bakken,

al staat den oven heet.

En hier heb ik niets meer aan toe te voegen.

De verklaring van veel zegswijzen is meestal letterlijk te nemen. Enige voorbeelden:

*”In den bak zitten”: in een gevangenis opgesloten zijn. 

Destijds bestonden gevangenissen als dusdanig niet. In afwachting van hun proces werden misdadigers opgesloten in de kerkers van een kasteel of in een klein getimmerd kot in de schuur van een belangrijke boerderij. 

 

*”In zijn hemd gezet zijn”: voor gek staan, het mikpunt zijn van spot.

Bij diefstal of belediging werd vroeger meestal een onterende straf uitgesproken zoals: in de processie in zijn hemd achter de pastoor lopen waarbij men publiek bespot werd.

Ook personen die tot de schandpaal veroordeeld waren werden hierbij, letterlijk, in hun hemd gezet.

 

*”Een proces is hangende”: de rechtszaak is nog in behandeling.

Zolang een zaak nog niet was afgehandeld hing de procesbundel aan een koord in de gang van het gerechtsgebouw. Iedereen kon de procesbundel daar inzien. 

 

*”De tafel zetten”: de tafel dekken.

In de gewone huizen was er in de middeleeuwen geen tafel aanwezig. Om uit borden te kunnen eten werden een paar stevige planken of een afgedankte deur op een paar schragen of uitgediende tonnen gelegd. Telkens men een tafel nodig had moest men ze dus eerst zetten.

 

*”De stafhouder”: voorzitter van de orde der advocaten.

Een staf (lange dunne stok) is van oudsher een teken van waardigheid, symbool van geestelijke, vorstelijke, militaire of rechterlijke macht. Wie de staf in bezit heeft is dus de hoogste ambtenaar van de maatschappelijke instelling.

De betekenis van het woord “staf” is ook nog geëvolueerd tot: het geheel van leidinggevende personen in een onderneming.

 

*”Balie”: beroepsvereniging van advocaten.

De balie is in oorsprong de afsluitboom van de vierschaar waarachter de beschuldigden moesten plaatsnemen. Het woord is verwant met “baalde”: afsluithek van een weide.

 

*”Zaad in het bakje brengen”: geld in het huishouden binnenbrengen. “Op droog zaad zitten”: blut zijn.

Fijn zaaizaad (b.v. van vlas of rapen) werd in een houten bak op de zolder naast de schouw opgehangen. Op die manier werd het zaad droog en buiten het bereik van knaagdieren bewaard. Wanneer men een goede oogst had zodat men veel zaaizaad kon bewaren, dan was men welstellend. In het tegenovergesteld geval was het doffe ellende.

 

*”Iemand op de rooster leggen, aan de tand voelen, het vuur aan de schenen leggen”: bij iemand de ware bedoeling trachten te weten te komen.

Zegswijzen ontleend aan foltermethoden die letterlijk te interpreteren zijn.

 

*“Potlood”.

In de middeleeuwen werd, op harde oppervlakten, met stiften uit lood geschreven. Deze werden per pond verkocht. Men schreef dus met een “pond lood”.

 

*”Boter op het hoofd hebben”: schuldig aan iets zijn, iets mispeuterd hebben.

Wanneer een boer boter onder het vastgestelde gewicht verkocht, werd hij veroordeeld om na de zondagsmis in zijn hemd aan de schandpaal gebonden te staan met de boter op zijn hoofd totdat ze gesmolten was.

 

*”Aan den bak komen”: aan de beurt komen, aan de slag komen.

Bij zeelieden was de bak een grote houten kom waarin het gekookt eten aan dek kwam. Om beurt mocht men zich bedienen.

We kennen het allemaal en zingen het ook wel eens mee. Je hoeft geen geboren Gentenaar te zijn, de oude liedjes van Karel Waeri zijn genoeg bekend.  En die vlieger, hoelang gaat die al niet omhuuge…!

 

Ooit stil gestaan waar volgend refrein vandaan komt?

           Koevoet is beter dan boelie

           Maar madame de predikant

           Heeft liever nen end sauci.

 

Die sauci zal wel de afkorting van saucisse zijn (Frans voor: worst), maar wat heeft die vrouwelijke predikant daarmee te maken.

Het is een liedje geschreven ter gelegenheid van het carnaval in Gent in het jaar 1857! En het verwijst naar een voorval uit het jaar ervoor 1856.  Dat was de tijd van de industriële revolutie en in Gent waren tientallen grote fabrieken. Sommige waren van liberale eigenaars, andere van katholieke. Eén van die rijke textielbaronnen was de ultramontaanse katholiek Joseph de Hemptinne, zoon van Félix Joseph en Henriette Lousbergs, ook al dochter van een textielbaron. De Lousbergkaai in Gent verwijst daar nog naar.

Het was de tijd van de grote armoede onder de bevolking, de tijd die de meesten kennen van de film “Daens”. Sociale vangnetten bestonden nog niet, liefdadigheid moest de problemen aanpakken. De vrouw van de baron ‘deed aan goede werken’. Vaak vanuit hun katholieke ideologie beloonden zij de kinderen die op school hun uiterste best deden, met het financieren van ... o.a. eerste communiekleedjes. Een andere activiteit van de dames was hun katholieke vrouwelijke onderdanen, les te geven, van hoe ze b.v. het best hun dagdagelijks budget konden beheren. Als je het woord ‘budget’ mag gebruiken voor de 14 stuivers die ze per dag ter beschikking hadden voor hun huishouden.

 

Eén van die vrouwen, Pauline Gronthyn, bankiersdochter en getrouwd met Joseph de Hemptinne, gaf in september 1856 enkele sermoenen in het kerkje van Poortakker aan de Oude Houtlei. In één van haar sermoenen zou zij het volgende voorgesteld hebben om beter rond te komen: Schaf de koffie af en vervang het door een afkooksel van kruiden. Kruiden die men op zondagnamiddag ‘op den buiten’ moest gaan trekken. Maak  soep van water, een koevoet en wat roggebrood, en voeg hierbij vier kg aardappelen en azijnsaus.

Dit zou, eind september 1856, volgens de Gazette van Gent, tot een kleine betoging van verbolgen huisvrouwen geleid hebben.

Daar zou de basis van het lied liggen, want koevoet is beter dan boelie, volgens Mevr. de predikant (Mevr. Hemptinne), maar zijzelf had toch liever een eind worst, wat dan meer allusie zou maken op de seksuele dan op de culinaire voorkeur van madame de predikant!

Van Rookhuis naar Wandhaard.

We hebben terug eens een winter gehad die zijn naam waardig is: pakken sneeuw en ijzige vrieskou. Binnen in onze centraal verwarmde huizen met een comfortabele temperatuur kunnen we in hemdsmouwen rondlopen, maar hoe kwamen onze voorouders zo een winterperiode door? Twee dingen zijn zeker: door zich warm aan te kleden en door kou af te zien!

Gelukkig voor hen dat eeuwen van evolutie er voor zorgde dat we tegen de winter een dikkere vetlaag aankweken zodat ons lichaam beter tegen de vrieskou bestand is.

 

We mogen in de winter wel al wat beter in ’t vlees zitten, toch hebben mensen in een gematigd en koud klimaat al vanouds hun huizen verwarmd en hiervoor is eeuwenlang het open vuur de enige verwarmingsbron geweest. Oorspronkelijk was dit een centrale stookplaats in het midden van een open kamer, met - om de rook te laten wegtrekken - in de nok van het dak een open gat wanneer het om een huis met een rond dak ging, en openingen in de top van de zijgevels bij een huis met een zadeldak. Omdat de rook in huis hangt wordt zo een huis “rookhuis” genoemd. Boven in de tipgevel van sommige huizen met zadeldak kan men nu nog soms een andere bouwtrant zien. Dit is nog een verwijzing naar het feit dat heel lang geleden bij rookhuizen dit stuk gevel open was. 

 

Later werd de centraal gelegen vuurhaard meer en meer naar een stenen zijwand verplaatst met een grote rookvang die naar boven toe tot een schouwpijp versmalde. De wandhaard ontstond. Op die manier werden nu de rook­gassen door het dak geleid en werd het huis min of meer rookvrij. Aangezien men een dak nog niet goed kon waterdicht maken stond zo een schoorsteen nooit in het midden van een dak of gevel maar altijd op de top van een zijgevel. Zo kwam het hemelwater bij het van het dak stromen geen hindernis tegen. Een schouw die boven het dak uitsteekt werd vanaf dan een essentieel onderdeel van elk huis in zoverre zelfs dat, in de late middeleeuwen, men het aantal schouwpijpen telde om het aantal huisgezinnen van een parochie te kennen.  

 

Nochtans heeft de overgang van rookhuis naar wand­haard eeuwen geduurd. Jozef Weyns vermeldt in “Volkshuisraad in Vlaanderen” dat rond 1930 in de Kempen nog een rookhuis werd afgebroken en in sommige afgelegen streken van het Spaanse Galicië waren zelfs tot vóór de tweede wereldoorlog nog rookhuizen in gebruik. Hier hadden de huizen zelfs geen rookgaten in het dak, de rook bleef onder de koepel van het dak hangen en moest door de  strobedekking zijn weg naar buiten zoeken. Op de voetweg naar Compostela, in O Cebreiro, is nog zo een huis te bezichtigen.

 

Ten opzichte van een rookhuis was een wandhaard al een hele verbetering, maar van echt warmtecomfort in huis was nog lang geen sprake. De meeste warmte verdween met de rook door de schouw en daarenboven verbruikte zo een open vuur veel zuurstof zodat er langs spleten van vensters en deuren lucht in huis gezogen werd. Hierdoor ontstond een koud aanvoelende tocht. Van voren verbranden en langs achteren bevriezen was dan ook een veel gehoorde en gekende zegswijze. Dit euvel heeft wel een nieuw meu­bel in huis gebracht: de zetel, een brede stoel met hoge en volle rug­leuning, soms zelfs met uitgeronde schouderdelen, om rug en schouders tegen de tocht te beschutten.

 

Een open vuur had ook voordelen: men kon er zowat alles in verbranden, hout natuurlijk, maar ook stro-, vlas- en tuinafval, plaggen en turf. Deze laatsten gingen met veel rookontwikke­ling gepaard, vandaar ook de noodzaak van een grote rookvang. Zo ontstond de typisch “Vlaamse open haard”, het gekende plaatje van de grote uitspringende schouw waaronder vader en moeder elk langs een kant naast het open vuur zitten. Nergens anders in Europa waren de schouwen in de boerenhuizen zo groot als bij ons.

 

In stadswoningen en kastelen waren de wandhaarden veel kleiner, men verbrandde er ook hoofdzakelijk hout. Om een grote ruimte (b.v. de ridderzaal van een  kasteel, of de raadszaal van een stadhuis) toch wat op te warmen is een open haard zeer ontoereikend. Vuurkorven waarin houtskool gebrand werd werden als bijverwarming gebruikt, gemakkelijk want hierbij is geen schouw nodig en alle vrijgekomen warmte wordt benut. Maar ook hier was er van een echt warmtecomfort nog steeds geen sprake. Zich goed aankleden bleef een noodzaak want voor centrale verwarming zijn we nog een paar eeuwen te vroeg. Alhoewel ...

 

We zouden het haast vergeten maar de Romeinen gebruikten in hun woonhuizen al centrale verwarming. De vloer van hun woonvertrekken bestond uit grote vierkanten tegels die naast elkaar op voetjes - die op een vaste ondervloer stonden - gelegd werden. Zo ontstond er een ruimte tussen beide vloeren. In de kelder van het huis was een stookruimte ingericht. De warmte en rookgassen werden naar de ruimtes tussen de vloeren geleid en verder afgevoerd. Een ingenieuze vorm van vloerverwarming dus en gans hun woonhuis werd er mee verwarmd.

 

Een vergelijkbaar zowaar nog inventiever systeem kende men in ‘Het Zwarte Woud’. De streek kenmerkte zich door grote, houten, blokvormige woningen waarin de ganse veestapel en boerengemeenschap onderdak vond. De woonkamers van het gelijkvloers waren er ingericht met een vals plafond en deze van de bovenverdieping met spouwmuren. In een zijkamer van het wooncomplex bevond zich een stookruimte waarin o.a. gekookt werd. De rookgassen en warmte van de stookinrichting werd tussen de ruimte van plafond en zoldering, en verder via de spouwmuren van de verdieping naar de zolder afgevoerd. Een huis dus met, op het gelijkvloers plafondverwarming en op de eerste verdieping vloer- en muurverwarming.

De blokwoning had ook geen schouw. De rookgassen moesten via de zolder naar buiten zien te komen en daar werd o.a. de graanvoorraad bewaard. De leefomgeving op de zolder werd hierdoor ongeschikt voor knaagdieren zodat overlast door ratten en muizen er onbekend was.

 

En er is nog meer. In Midden- en Noord-Europa gebruikte men een grote, platte, gemetselde kachel - best te vergelijken met een oude met hout gestookte bakoven van bij ons, maar dan veel groter - om de woonruimten op te warmen. Die kachel werd in de hoek van een of meer kamers ingemetseld en zorgde voor een aangename warmte in de aangesloten leefruimten. Meestal was er ook een stenenbank rond gemetseld. Overdag was het warm om daar op te zitten en ’s nachts om er op te slapen en men had geen rook noch stof in huis. Dit allemaal terwijl onze voorouders nog bij hun open vuur zaten te rillen van de kou.

We moeten op de kolenkachel wachten tot het ook bij ons ’s winters echt warm in huis wordt.

Dat is voor de volgende keer.

De onvolprezen Leuvense stoof

We hebben het er in de vorige bijdrage over gehad. Onze voorouders zaten ’s winters nog tot ver in de 19de eeuw bij hun open vuur te rillen van de kou, terwijl men het in grote delen van Europa toen al behaaglijk warm in huis had. De kolenkachel zal hier verandering in brengen. Verwonderlijk dat men niet de houtkachel verkoos. Al van in de eerste helft van de 19de eeuw gebruikte men in de Ardennen een plaatijzeren houtkachel en met succes, maar bij ons zal men massaal op de kolenkachel overschakelen.

 

In een ijzeren pot werd vuur in huis gemaakt en de rook werd langs een ijzeren buis via een gesloten schouw naar buiten geleid. Luchttoevoer en rookafvoer kon door een schuif en klep gere­geld worden. Op die manier kon de verbranding en dus de geproduceer­de warmte, onder controle gehouden worden.

Het meest voorkomende model bij ons was de plattebuiskachel en in onze streek ver­scheen ze vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, eerst in de herenhuizen van de steden, daarna geleidelijk aan in onze volkswoningen, maar het zal nog tot na de eerste wereldoorlog duren eer er ook bij arme gezinnen een kachel in huis komt.

“Leuvense stoof” werd dit type kolenkachel genoemd maar ook de benaming “Mechelse stoof” kwam voor. Alhoewel de namen door elkaar gebruikt werden waren er toch een paar duidelijke verschillen. De “Leuvense” stoof heeft een korte, brede stoofbuis en een meerkleurige opsmuk. De “Mechelse” is altijd volledig zwart en haar stoofbuis is smaller en langer.

Waarschijnlijk is dit het oudste type plattebuiskachel, ze was dan ook hoofdzakelijk in de herenhuizen te vinden.

 

De plattebuiskachel was meteen een schot in de roos. Bij een open vuur ging heel veel warmte door de rookvang verloren en werd enkel de stralingswarmte benut. Bij een kolenstoof stond de vuurhaard in de woonkamer en hierbij werd de omgevingslucht opgewarmd, hierdoor kwam er een warme luchtcirculatie op gang waardoor gans de kamer verwarmd werd. Ook de muren en het meubilair werden hierbij opgewarmd wat een behaaglijk gevoel geeft. Na eeuwen kou afzien werd het eindelijk echt warm in huis.

 

Een minder geweten maar niet onbelangrijk voordeel van een verwarmde leefkamer is dat het er veel gezonder om leven is. Bij een efficiënte huisverwarming verdwijnen de vochtplekken op muren en de daarbij horende en zeer schadelijke huisschimmels. Zo bedroeg de kindersterfte eind 19de eeuw nog meer dan 25%. Eenmaal de woonkamers goed verwarmd werden zal dit cijfer gevoelig dalen.

 

De Leuvense stoof was een multifunctioneel huismeubel. De grote, platte, ijzeren buis recupereerde veel rookwarmte en omdat ze een eind van de grond stond werd de luchtcirculatie optimaal bevorderd waardoor de kamer beter opwarmde. Ze was dus uitermate geschikt als verwarmingsbron. En daarop werd gekookt, wafels gebakken of het strijkijzer geheet; op de plattebuis werd koffie gezet, eetwaar of klompen warm gehouden, wafels gebakken of een vuursteen geheet om er taarten op te bakken de kookpot op tafel warm te houden of voor het slapengaan de beddenlakens warm te strijken; er was een oven waarin ovenschotels werden klaargemaakt, brood gebakken of de eetborden voorverwarmd; aan de rooikens (de zijdelingse buisleuningen) kon men zijn kousen of de was drogen, op het kot (het onderstel) zijn voeten warmen, enz. enz. ... Zelfs wanneer de stoof niet brandde was ze nog dienstig. In de zomer werden op de koude buis boterspekken uitgestreken om ze te laten afkoelen.

 

De Leuvense stoof: een pareltje van geniale en ingenieuze smeedkunst en dit type kachel kwam alleen bij ons voor. Allerhande soorten kolenkachels of kookfornuizen kwamen onder allerlei vormen in verschillende streken voor, maar het type plattebuiskachel was alleen bij ons bekend en nergens anders in Europa. Zowaar een miskend en onvolprezen onderdeel van onze volkscultuur.

Zoals bij alle kolenkachels was ook bij de Leuvense stoof de brandstof een nadeel, zeker in tijden van kolen schaarste. Maar niet getreurd, de oplossing was rap gevonden maar hierover zullen we het later eens hebben.

“den hitler” of de Leuvense stoof als Houtkachel.

We hebben het de vorige keer over de weldaden van de Leuvense stoof gehad, maar zoals alle kolenkachels was ook bij de Leuvense stoof de brandstof een nadeel.

Steenkool moest men aankopen en dat was zeker in tijden van levensduurte of kolen schaarste zoals tijdens de tweede wereldoorlog een probleem. Voorheen werd in een open haard met hout gestookt en dat was toen, zeker op het platteland, nog goedkoop en in overvloed te vinden. De knotwilgen functioneerden nog alge­meen als omheiningpalen, de meni­ge houtkanten werden regelmatig gekapt en bijgeplant, ook het afbraakhout ging niet verloren en overigens werd ijverig alles opge­raapt en verzameld wat maar bran­den kon.

 

Als houtkachel was de Leuvense stoof op zich, helemaal niet geschikt. De pot was veel te klein om deftig te kunnen stoken. De houtstukken moesten dus erg klein gekapt worden en aangezien het gebruikte lichte hout vrij vlug opbrandde kon men om de vijf voet bijvullen of ze was 't gaan zeg­gen! Het probleem lag dus niet zozeer bij een alternatieve brandstof, dan wel bij de stoof zelf. Daar moest dus iets op gevon­den worden.

Het antwoord lag voor de hand: de vuurpot vergroten.

Enkele bijdehandse boe­ren hadden onmiddellijk de oplossing gevon­den. Hier of daar lag nog wel een om één of andere reden in onbruik geraakte of overtijdse melkkan. De bodem werd er uitgeslagen en het tuig werd over de geopende stoofmond geplaatst. En ziezo: 't probleem was opgelost, men had nu een stoof met één grote en lange vuurpot. Langs de melkkan­scheel werd er gestookt. De omvang en lengte van de melkkan liet toe heel wat stukken hout van een respectabele lengte in de stoof te brengen. En branden dat het deed. Het gebruiksvoorwerp kreeg ook een naam: nen hitler werd het hier genoemd.

Gezien deze benaming zou men aannemen dat deze manier van stoken vóór de tweede wereldoorlog niet gekend was. Nochtans beweerden een paar zegspersonen stellig dat het hulpstuk reeds vóór de tweede wereldoorlog in gebruik was en oorspronkelijk hoed of hogen hoed genoemd werd. Gezien de vorm van het voorwerp een voor de hand liggende naamkeuze. Ook bij een bezoek in 1981 aan het regionaal heemmuseum te Izenberge bij Veurne, vernam ik van conservator Vanheulle dat in de streek van Veurne deze doenwijze reeds in 1932 - niet toevallig ten tijde de grote depressie - in voege was en het voorwerp er enkel onder de naam chapeau buse gekend was. Een vergelijkbare naamgeving dus.

 

Deze stookwijze bestond dus al vóór de tweede wereldoorlog, maar in elk geval niet vóór de eerste. Dit kunnen we met vrij grote zekerheid stellen en wel omdat in zijn: “Volkshuisraad in Vlaanderen” Jozef Weyns er geen gewag van maakt en dit monumentale werk behandelt: “Naam, vorm, geschiedenis, gebruik en volkskundig belang der huiselijke voorwerpen in het Vlaamse land van de Middeleeuwen tot de eerste wereld­oorlog”. Indien den hoed in de beschreven periode reeds in gebruik zou geweest zijn, had Weyns dit zeker behandeld.

We kunnen dus besluiten dat het voorwerp tijdens de crisisjaren van het interbellum in gebruik kwam, toen het wat beter ging in de vergeethoek raakte en tijdens de tweede wereldoorlog terug in dienst kwam onder de naam: hitler

 

Voor de ombouw van de Leuvense stoof naar houtkachel werd niet alleen de versleten melkkan dienstig bevonden, bij gebrek hieraan werd nogal eens een afgedankte ijzeren emmer gebruikt. De emmer werd van handvat en bodem ontdaan, omgekeerd over de stoofmond gezet en met een tweedehands potdeksel afgedekt. In dit geval was de verbrandingsruimte kleiner zodat er meer en met kleinere houtbrokken moest gestookt worden. Maar eigenlijk was de ijzeren emmer gerieflijker: het was gemakkelijker om hout in te brengen want om het deksel van een ouderwetse melkkan open te krijgen was wel wat handigheid vereist.

Na enige tijd zijn diensten afdoende bewezen te hebben werd den hitler alras geperfectioneerd: melkkan of emmer werden vervan­gen door een op maat gemaakte ijzeren buis, die in de stoofmond paste, met bijhorend deksel en hiervoor werd de plaatselijke smid aangesproken.

 

En er werd niet alleen hout gestookt, alles wat brandbaar was ging de kachel in. Hiervoor was wel een aangepaste techniek nodig.

In Izenberge was alleen de ijzeren emmer als chapeau buse gekend en de vulwijze was de volgende: rond een stok werden zagelíngen, schavelingen, stro- en vlasafval, gedroogd aardappelloof, enz. tot een piramide opgebouwd in de brandende pot van de stoof, dan trok men de stok uit het bouwsel zodat er in het mid­den een luchtgat ontstond en dan zette men er omgekeerd de ijzeren emmer over. Langs het luchtgat werd zuurstof in de pot gezogen en gebeurde de verbranding. Indien het luchtgat dichtklapte, verstikte het vuur en doofde de stoof.

Hier bij ons, in het Meetjesland, nam men den hoed mee naar de stal en al wat brandbaar was werd er stevig in vastgestampt, den hitler opstampen noemde men dit. Dan werd het tuig over de brandende vuurpot gezet. Langzaam brandde den hitler van beneden naar boven en aan de buitenkant kon men aan de fysionomie van de buis zien hoever hij was leeg gebrand. Op het eind moest men er eens aan schudden om het bovenste laagje te doen vallen terwijl men het deksel vasthield. Wanneer het reststuk vanzelf naar beneden viel kon het gebeuren dat door de luchtverplaatsing het ding “ontplofte”, het deksel er af vloog en een roetwolk zich in huis verspreidde met veel opkuiswerk als gevolg.

 

Lang tot na de tweede wereldoorlog is deze hoge hoed voorze­ker niet in gebruik geweest. Van zodra de steenkoolvoorziening terug op gang kwam had dit voorwerp afgedaan. Her en der zal hij nog wel eens bovengehaald zijn om hout­voorraden en dergelijke op te branden. Zo heb ik in 1985 te Bassevelde er nog een zien branden en er werd zelfs turf in gestookt! Maar dit zal wel een uit­zondering geweest zijn.

Alhoewel geen lang leven bescho­ren, heeft dit voorwerp toch een plaats verdiend in onze stoffelijke volkscultuur. Een voor zich sprekend bewijs dat het functionele denken van doorgaans eenvoudige mensen steeds een in de tijd en aan de streek aangepas­te oplossing vindt voor praktische problemen. “Elementargedanke” noemen heem- en volkskundigen dit fenomeen.

 

Onze huizen worden nu centraal verwarmd en wanneer men met aardgas stookt is zelfs geen schouw meer nodig, een dubbele pijp naar buiten door een zijmuur volstaat. En toch wil iedereen terug zo graag een open haard in huis. Men kan zelfs een CD kopen en de beelden van een brandende haard via zijn tv-toestel weergeven.

De gezelligheid die uitgaat van een zichtbaar vuur, waaraan gedurende duizenden jaren onze voorouders zich gewarmd hebben, zit ons blijkbaar diep in de genen.

De meikever behoort tot de familie van de bladsprietkevers en is één van de grootste kevers van West-Europa. Het wijfje legt 30 tot 40 eieren in de aarde en sterft. Ongeveer 40 dagen nadien komen uit de eieren witachtige larven: engerlingen. Die leven nog een paar jaar in de aarde en voeden zich met plantenwortels. Daarna verpoppen ze en het volgend voorjaar komt een nieuwgeboren meikever uit de grond gekropen.

 

Het is nu nog moeilijk te geloven maar de kever kwam tot een paar decennia geleden nog massaal voor in onze gewesten. Soms was er een echte meikeverplaag en die werd als een straf van God aanzien. Er werden toen processies voorgeschreven en er werd een meer deugdzame levenswandel aanbevolen. Vooral de vraatzuchtige engerlingen brachten de gewassen veel schade toe en dus kwamen er richtlijnen om de kever te bestrijden.

In een “Taal- en Leesboek” uit 1925 staat te lezen:

De meikever is één van de schadelijkste insecten. Om hem te vernielen hebben wij drie middelen aan de hand: 1, de kever vangen en doden vóór hij eieren legt; 2, de spekmaden, die men bij de bewerking van den grond ontdekt, verpletteren; 3, de mol, die ontelbare engerlingen verslindt, zoveel mogelijk beschermen.

  

Andere ‘natuurlijke’ vijanden waren destijds vooral de kwajongens - en ook wel eens meisjes - die steevast naar de kevers op zoek gingen. De meikever is voor de mens onschadelijk, hij bijt en steekt niet en dat is natuurlijke een pluspunt voor de jacht. Op de buiten had vroeger bijna iedereen nog een moestuin. In het voorjaar werd vroeg gespit en dan gebeurde het wel eens dat er in februari of maart al een mulder bovengespit werd. Wie als knaap dergelijke primeur op de kop kon tikken kwam er natuurlijk op de speelplaats mee stoefen.

 

De kever gaat bij valavond vliegen maar schuilt overdag in hagen en struiken. Het schudden van hagen was dan ook een renderende manier om hem te vangen. Vooral de bladeren van haagbeuk waren voor de meikever een lekkernij en de haag een geliefde schuilplaats. Bij hevig schudden vielen vroeger tientallen kevers op de grond en die lagen er zomaar voor het rapen. De gevangen kevers werden in een doos met enkele luchtgaten en een stevig sluitend deksel opgeborgen. Daar kregen ze dan hun dagelijkse portie verse bladeren.

 

Destijds waren de kevers een gegeerd stukje levend speelgoed waarmee in competitie gespeeld werd. Er waren dan ook verschillende vermakelijkheden in gebruik:

- Wroeten: Elke deelnemer merkte zijn meikever, gezamenlijk werden die in een emmer gelegd en met droog zand afgedekt. Wiens kever het eerst boven kwam was gewonnen. Dit spel kon alleen in het begin van de muldertijd gespeeld worden, want eenmaal de wijfjes bevrucht waren kwamen die niet meer naar boven.

- Vliegen: Door het achterlijf werd een twijndraad gestoken en vastgemaakt. Dan maar wachten tot de kever opsteeg en met de draad in de hand meelopen. Wiens vliegende kever het verst belandde was gewonnen.

- Klimmen: Kevers werden aan een twijndraad vastgemaakt en op de tak van een haagbeuk gezet. Wiens kever het hoogst klom was de winnaar.

- Trekpaardje spelen: De kevers werden in een cirkel gezet en kregen een twijndraad aangebonden. Die was bevestigd aan het bakje van een luciferdoosje. Dat bakje werd al of niet met zand gevuld. Wiens kever zijn lading het eerst uit de cirkel kon trekken was gewonnen.

- Kippen voederen: De kevers werden gemerkt en voor de kippen gegooid. Wiens kever het langst de slachtpartij overleefde werd als winnaar uitgeroepen.

 

Veel viel er voor de overwinnaar niet te verdienen, er werd meestal voor de eer gespeeld. Soms werd door elke deelnemer een knikker in de pot gelegd en dat was dan de gewonnen buit.

Meikevers zijn hier zo goed als uitgeroeid. Vorige lente heb ik er nog één in mijn handen gehad en dat was al jaren geleden.

De mol is een insecteneter. Hij leeft in een ondergronds gangenstelsel, enerzijds om zich te verplaatsen en anderzijds doet het stelsel ook dienst als val voor bodeminsecten, voornamelijk regenwormen.

In de oudheid werd dat dier, dat onder de grond leeft, als een mysterieus wezen beschouwd. Het stond dan ook in hoog aanzien en er werden heel wat mythische eigenschappen aan toegeschreven:

- Een mol die in huis kwam bracht de boodschap van een nakend overlijden. 

- De hand waarop een mol gestorven was kon iemand van de huidziekte “roos”, genezen.

- Van een mollenpoot gingen heel wat veelzijdige en verborgen krachten uit:

Als amulet gedragen, beschermde hij tegen tandpijn en werd het tanden krijgen bij kinderen bevorderd.

Een mollenpoot in de rechterbroekzak was een ware geluksbrenger.

Gedragen op het hart was hij een afweer tegen stuipen.

Eenmaal onder de oksel gestopt was men beveiligd tegen de invloeden van “De Kwade Hand” en andere hekserijen.

De modernere mens heeft een meer tweeslachtige houding tegenover deze insecteneter betoond. In een “Taal- en Leesboek” uit 1925 staat te lezen:

De mol is één van die dieren, welke ons de grootste diensten bewijst en zich juist daarom de haat der mensen op de hals heeft getrokken. “Hij wroet de aarde los en knaagt de wortels der planten af” zegt men. Het eerste is waar, en daardoor verricht hij wel enige schade op vers bezaaide gronden. Maar het tweede is volkomen vals.

Het is vooral het vervelend gewroet in tuin of grasperk dat bij de mens op weinig sympathie kan rekenen. Hierbij loopt het dier gevaar voor zijn leven want de bedoelde vergelding is meestal de doodstraf.

Zeer efficiënt zijn de mollenvallen:

- Eeuwenoud is een stationaire blokval. Het tuig wordt over en in een gelijkgrondse gang gezet. Door het gewroet wordt de instandhoudingpal weggeduwd waardoor het blok, waarop verticale pinnen vastzitten, naar beneden ploft en de mol gespietst wordt.

- Recenter is de veerklem die in een mollengang geplaatst wordt. De instandhoudingpal houdt de klem open, wordt bij het wroeten weggeduwd en de mol zit vast.

Minder efficiënt maar al even schrikwekkend zijn een paar andere middelen:

- In siroop gedrenkte pluimen worden in de gangen gestoken. De pluimen zouden aan het vel van de mol blijven kleven en zo het rondlopen belemmeren. Opgegeten zouden ze het verteringsstelsel verstoppen.

- Mazout, acetyleengas (carbuur) of butaangas vergiftigt de lucht in de mollengang en zou de mollen doen stikken.

- Niespoeder of peper op een schaaltje in de gang gezet zou een ware kwelling zijn.

- Door de gangen onder water te zetten hoopt men de mollen te verdrinken.

- Gangen versperren met braam- of doorntakken en dan maar wensen dat de mol er in verstrikt raakt.

- Fijn gestampt glas gemengd met regenwormen wordt in de gangen gebracht. Door het gewriemel van de wormen wordt de mol onmiddellijk gelokt en eenmaal de wormen verslonden zou het glas inwendige bloedingen veroorzaken.

Tijdens en na de eerste wereldoorlog waren ook beroepsmollenvangers actief.

In de winter werd op de mol gejaagd om zijn pels. Een mantel van mollenvellen was toen, in de mondaine modewereld, zeer in trek. Een handige vanger kon, in die tijd, op één dag een dubbel arbeidsloon verdienen. Aangezien die activiteit nogal lucratief was, werd door sommige eigenaars, die zelf wilden vangen, de toegang van de mollenvanger op hun grond verboden. Hierbij werd een dode mol - of bij gebrek hieraan een frots stro - op een stok aan de kant van het perceel geplaatst, als duidelijk teken dat de beroepsvanger daar niet mocht komen.

De kunst van het mollenvangen bestond erin om de mol tegen de wind in te besluipen, hem met een spade in één steek boven te werpen en met een platte slag af te maken. Hierbij bestond een trucje dat nog in een aftelrijmpje bewaard is:

Mol, mol, waar zit de mol

de mol zit in zijn hol.

Vrouwtje heb je geen strootje vandoen,

“Wel neen ik” zei de mol.

Op regelmatige afstanden werd een strohalm rechtop in de bovengrondse mollengang gestoken. Wanneer de mol door de gang liep bewogen de halmen, zo kon de vanger uitmaken waar de mol zich bevond.

Die grillige vrouwenmode dreigde de mol uit te roeien en de toestand werd alarmerend.

Op 5 februari 1920 verscheen het Koninklijk besluit tot bescherming der mollen:

“Overwegende dat de mollen een groot getal aan den landbouw schadelijke insecten verdelgen; dat zij, tengevolge van het stelselmatig uitroeien waaraan zij heden blootgesteld zijn, allengs meer en meer verdwijnen ...” 

Op 4 jaar tijd scheen het mollenbestand zodanig te zijn hersteld dat de wetgever op 31 maart 1925 een aanpassing voorzag:

“Overwegende dat de verdelging der mollen in sommige gevallen noodzakelijk is (...) slechts ernstige bezwaren oplevert wanneer zij tegen den wil van de grondgebruikers geschiedt (...). De mollenvangst is enkel toegelaten aan eigenaars (...) en de personen in ’t bezit eener schriftelijke toelating ...”    

Blijkbaar ging het goed met de mollenpopulatie want op 4 februari 1959 werden alle beschermde maatregelen opgeheven:

“Gelet op het gevaar van een progressieve vermeerdering van het aantal mollen, de schade door deze dieren aan de teelten aangericht en de aanwezigheid op de markt van doelmatige producten welke het mogelijk maken de bodeminsecten te bestrijden ...”

Mollen hadden dus hun nut verloren en waren overbodig geworden. Er waren andere middelen gevonden om de schadelijke bodeminsecten te bestrijden. We zijn het tijdperk van de chemische landbouw ingetreden, met alle gevolgen van dien.

En onze mol? Hij floreert als nooit te voren. Kan ook niet anders: hij heeft steeds vier ‘mollenpootjes’ bij zich.

Op Allerzielen werd hier bij ons - in Oosteeklo tot midden de jaren veertig van vorige eeuw en in mijn geboortedorp Schellebelle nog tot begin de jaren zestig - door de dorpsjeugd een in de vorm van een doodshoofd uitgeholde biet of raap, waarin een brandende kaars stond, in de hagen verstopt. Wij noemden deze gewoonte lichtkoppen zetten en de bedoeling was om, ‘s avonds in het donker, de voorbijgangers schrik aan te jagen. ‘s Anderendaags werd de uitgeholde knol aan de koeien of konijnen gevoederd.

Dit gebruik is van Keltische oorsprong, stak met Ierse kolonisten de oceaan over en kwam als “Halloween” terug.

 

De Kelten kenden vier grote feestdagen die aan de seizoenen verbonden waren.

- Op 1 februari werd “Imbolc”, het feest van de Moedergodin, gevierd. Zij werd op een door runderen getrokken kar door de velden gevoerd. Hierdoor werd de aarde gezuiverd vóór ze nieuwe vruchten kon dragen. Na dat zuiverings- en vruchtbaarheidsritueel kon de boer met de eerste grondbewerking beginnen.

- Op 1 mei vierde men “Beltain”, de feestdag was de zonnegod Belenos, de stamvader van de goden en de mensen, de god van leven en dood. Hierbij werd de heropstanding van de Natuur en het ontluiken van nieuw dierlijk leven gevierd.

- Op 1 augustus werd “Lugnasad” gevierd ter ere de zonnegod Lugh, de grootste van alle goden. Het was een oogstfeest waarbij de overvloed in de Natuur geëerd werd.

- Op 1 november vierde men “Samijn”, een oogst- en jachtfeest. De zomer was voorbij, de oogst was binnen en de jacht begon. De voorbije meest vruchtbare periode van het jaar werd feestelijk afgesloten. Nu kwamen de donkere dagen er aan, in de Keltische kalender meteen het begin van het nieuwe jaar.

 

Onze verre voorouders waren er ook van overtuigd dat op oudejaarsnacht (dus de nacht tussen 31 oktober en 1 november) de poorten van “De Andere Wereld” open gingen en dat de geesten van de afgestorvenen die nacht terug naar de aarde kwamen om zich te wreken op al degenen die hen kwaad hadden gedaan. Om aan die kwelling te ontsnappen vermomden de Kelten zich, ze trokken andere klederen aan en zetten maskers op. Zo waren ze onherkenbaar en werd de geest van een voorouder, die mogelijks naar hen op zoek was om zich te wreken, om de tuin geleid.

Men geloofde ook dat de voorouderlijke geesten door de rookgaten van de daken in de woonhuizen binnen kwamen. Dit waren de enige openingen van het huis die men moeilijk kon afsluiten. Daarom trachtte men die geesten gunstig te stemmen door geschenken en voedsel als zoenoffer aan het haardvuur klaar te zetten. Het gebruik om rond Sint-Maarten of Sint-Niklaas ‘zijn schoentje te zetten’ kent hier zijn verre oorsprong.

 

Onder VS invloed is het oeroud Europees Samijnfeest sterk verwaterd en gecommercialiseerd. Uitgeholde rapen of bieten functioneren nu niet meer als eendaagse lichtkoppen, blijkbaar moeten het nu pompoenen zijn die dagenlang aan deuren en in tuinen liggen te rotten. Van het oorspronkelijk oogstfeest en de verbondenheid met de voorouderlijke geesten blijft vrijwel niets meer over. Het is nu vooral griezelen geblazen en elkaar de stuipen op het lijf jagen.

Zowel de Islam als de katholieke Kerk legt vastenperiodes op.

Bij de Islam is de ramadan en bij de katholieke Kerk de veertigdaagse vasten vóór Pasen nog in gebruik, maar vroeger waren er nog andere kerkelijke vastendagen, o.a. de quatertemperdagen (van het latijn “quatuor tempora”: vier jaargetijden).

 

Een catechismus uit 1868 geeft hierover meer uitleg. “Wat zijn quatertemperdagen?”

Geboden vastendagen die de Kerk gesteld heeft op een woensdag, vrijdag en zaterdag van elk der vier jaargetijden, omdat wij in elk jaargetij zuivering nodig hebben om, met vasten en aalmoezen geven, de zonden uit te boeten die wij door de krankheid van het vlees en de besmetting der begeerlijkheden bedreven.

 

Verder blijkt dat die vastendagen in de Kerk bij het begin van elk seizoen vielen.

Naast het uitboeten van de besmetting der begeerlijkheden hadden die vastendagen vooral tot doel om de hemelse zegen af te smeken over de vruchten der aarde, dus om de vier jaargetijden te heiligen en daarvoor Gods zegen te bekomen.

In die context kan het bijna niet anders dan dat dit teruggaat op voorchristelijke vastenperiodes en vieringen waarbij door de boerengemeenschappen de vruchtbaarheid van Moeder Natuur werd vereerd en de zegen van de goden over de velden werd afgesmeekt.

De Keltische jaarliturgie (waaronder die van de “Oude Belgen”) bestond uit vier feestdagen die aan de vier seizoenen verbonden waren en die telkens door een veertigdaagse vasten voorafgegaan werden.

- veertig dagen vóór Samijn (1 november). Toen kwamen de geesten van de voorouders terug naar de aarde en werd het begin van het nieuwe jaar gevierd. Verchristelijkt tot Allerheiligen en Allerzielen.

- veertig dagen vóór de winterzonnewende (21 december). Drie dagen nadien werd de hergeboorte van de zon gevierd. Verchristelijkt tot Kerstmis.

- veertig dagen vóór Beltain (1 mei). Feest van de zonnegod Belenos, stamvader van alle goden. Hierbij werd de heropstanding van de Natuur en het ontluiken van nieuw dierlijk leven gevierd. Verchristelijkt tot Pasen.

- veertig dagen vóór de zomerzonnewende (21 juni). Drie dagen nadien vierde men het keerpunt van de Natuur. De voorjaarsgewassen zijn dan uitgebloeid en de zomergewassen komen tot ontwikkeling. Verchristelijkt tot het feest van Joannes de Doper. Het doopsel betekent voor de mens een keerpunt in het leven.

Naast de quatertemperdagen bleef in de christelijke liturgie hiervan alleen de veertigdaagse vasten vóór Pasen over.

 

Op vastendagen moest men vlees, eieren en melk derven. Men leefde in de overtuiging dat vooral veel vlees eten tot kwade lusten leidde.

In de catechismus uit 1868 staat daar een remedie tegen. “Hoe worden de kwade lusten bedwongen?”

Het vasten is rechtstreeks geschikt om onze drift tot eten en drinken te beteugelen en tezelfdertijd houdt het vasten de neiging tot de onkuisheid tegen, hoe meer het lichaam verzadigd wordt met vlees, eieren en zuivel, hoe meer het tot onkuisheid aangedreven wordt.

Destijds was een periode van veertig dagen zeer lang om het verboden voedsel te bewaren, maar men bedacht toch een paar oplossingen om die tijdruimte te overbruggen. Eieren werden in kalkwater bewaard, van melk maakte men kaas en vlees werd gedroogd of in zout bewaard.

Echter, niet al het voor consumptie beschikbare vlees kwam hiervoor in aanmerking en dus was er wel een probleem.

De oplossing lag voor de hand: alles vooraf zoveel mogelijk opeten.

Zo ontstonden de eetfestijnen van Vastenavond. De avond vóór Aswoensdag werden alle in de vastentijd door de Kerk verboden producten - die aan bederf onderhevig waren - opgegeten.

De schranspartij kreeg ook een naam Carnaval. Het woord zou afkomstig zijn van het latijn: “carne levare” (vlees verwijderen) en hierbij werd dus oorspronkelijk enkel Vastenavond bedoeld, maar op termijn is karnaval een afzonderlijk gebruik geworden dat zijn eigen weg gegaan is.

En wat gebeurde er met de veertigdaagse Vasten?

In onze cultuur zo goed als verdwenen en wees maar zeker dat ook onze voorouders dergelijk kerkgebod konden relativeren. Ludiek en krachtig formuleerde men het in volgende zegswijze:

Vasten

is hem wachten

om zeven boterhammen t’ eten

en naar den achtsten

te tasten.

Met andere woorden: “Vasten is zeven boterhammen eten en de achtste laten liggen”. Dat is duidelijk. Wie eerst zeven boterhammen eet kan zeker een vastenperiode verdragen.

Als ’t kindeken is geboren

heeft de raap haar kracht verloren.

Een geheugensteuntje om niet te vergeten dat tegen kerstdag de rapen volgroeid zijn en moeten geoogst worden, zo niet zullen ze in de grond uitdrogen of verrotten. Maar waarom de noodzaak om dat in gedachten te houden?

Ja nu is dit niet meer zo noodzakelijk, maar vroeger wel!

 

Vóór de aardappel bij ons als mensenvoedsel algemeen in gebruik kwam - zowat vanaf 1750 - werden veel graangewassen, bonen en allerlei kool- en wortelsoorten gegeten.

Wanneer heden iemand een voorgeschotelde groente niet lust, uit die nog al eens zijn ongenoegen met: bid voor de kruiden der aarde, behalve voor de rode peen. Deze zegswijze refereert duidelijk nog naar de periode vóór de aardappel. Diegene die destijds, als eerste, deze uitspraak weggaf had blijkbaar geen voorkeur voor rode wortelen.

 

Maar het hoofdbestanddeel van het voedsel, dat onze verre voorouders op hun bord kregen, was ongetwijfeld de raap.

Naast het in de titel geciteerde rijmpje zijn er nog een paar bestaande zegswijzen die daar naar verwijzen.

In iemand zijn rapen schijten: ongenoegen bij iemand opwekken.

Iemand een raap stoven: iemand een peer stoven.

Trekt u een raap uit en steek de groeze op uw hoed: vergeet uw afkomst niet.

 

Ik heb in Schellebelle ook nog een spotrijm op het Onzevader genoteerd en hierbij is er geen sprake van: ‘het dagelijks brood’. 

Onzevader, Pier Vanzelen

’t avond gaan we rapen stelen,

komt den boer, we zullen gaan lopen

komt zijn vrouw, we zullen ze stropen

komt er niemand niet

w’ hebben den boer al zijn rapen voor niet.

 

Op het stelen van rapen stonden destijds zware straffen.

 

Rapen bevatten relatief weinig calorieën, dus moest men er veel van eten en niet alleen de knollen, maar ook het loof - klaargemaakt als spinazie - werd gegeten.

De vertering van een grote portie rapen brengt slappe stoelgang mee. Dit werd als darm-zuiverend ervaren. Daarnaast werd de onvermijdelijke winderigheid, die met rapen eten gepaard gaat, nogal gerelativeerd. Dit maakte het voorwerp uit van volkse humor: 

Rapen

doen ’t gat gapen

ieder beet

is een scheet,

hoe harder dat ge knabbelt

hoe meer dat uw gat rammelt

en hoe meer dat ze klinkt

hoe harder dat ze stinkt.

 

Ook als dierenvoer was de raap dienstig, maar oorspronkelijk werd enkel het loof hiervoor benut. Na de roggeoogst werden ‘stoppelrapen’ heel dicht ingezaaid en dit werd door het vee afgegraasd.

 

Eind 16de begin 17de eeuw brachten de boeren van het Waasland hier verandering in. Ze hielden de dieren op stal, lieten de rapen tot volle wasdom komen en voederden het ganse gewas aan hun dieren. Meteen was er veel meer stalmest beschikbaar en hierdoor konden alle beschikbare landbouwgronden bemest en in cultuur gebracht worden. Dit bracht een ware revolutie in de landbouw met zich mee, wat zich over gans Europa zou verspreiden: het drieslagstelsel (waarbij men een perceel grond twee jaar bebouwt en dan een jaar laat rusten) werd opgeheven.

Niet te verwonderen dat zowat elk dorp en elke stad uit het Waasland een afbeelding van de onvolprezen raap in haar wapenschild voert.

 

In opdracht van de Franse regering inventariseerde de botanicus Augustin de Candolle de toenmalige landbouwtechnieken. In 1811 bezocht hij onze contreien.

In zijn verslag schreef hij:

Ik heb het Land van Waas bezocht, dat is het best bebouwde deel van Vlaanderen en bijgevolg van de gehele wereld.

 

“... en bijgevolg van de gehele wereld”! Als dat geen statement is! Een mooiere ode aan de kunde van onze Vlaamse boeren is ondenkbaar! Zeker als dit door een buitenlander - en dan nog wel een Fransman - gesteld wordt.

Op 14 februari wordt Valentijn gevierd. De oorsprong gaat terug naar voorchristelijke gebruiken en het is pas later dat aan dit feest de naam Valentijn, als beschermheilige van geliefden, gegeven wordt.

 

Elk jaar vierden de Romeinen het feest Lupercalia. Hierbij werden geiten of bokken geofferd aan de god Lupercus terwijl men naakt door de stad liep en zich te buiten ging aan allerlei obsceniteiten.

Lupercus was het Romeinse equivalent van de Griekse god Pan en de Lupercalia waren in oorsprong Griekse vruchtbaarheidsrituelen ter ere van deze god.

 

Pan was een herdersgod, speelde op een fluit, was half mens half bok met bokkenpoten en horens, had een grijnzend gezicht en zat voortdurend achter het vrouwelijk schoon aan. Wanneer hij in zijn middagrust gestoord werd joeg hij met zijn gegrom en geschreeuw elke omstaander de stuipen op het lijf zodat die in ‘panische’ angst wegvluchtte. Onze afbeeldingen van de duivel, met bokkenpoten en hoorns, gaan terug op de verschijningsvorm van deze Griekse mythologische god.

 

Door de Romeinen werd het Lupercusfeest op 15 februari gevierd.

Dichter Neogorgius verhaalt dat op die dag jonge meisjes bepaalden wie hun toekomstige echtgenoot zou worden. Hierbij werden de namen van de kandidaten elk afzonderlijk in een ui gestopt. De ui die eerst wortel schoot gaf de naam van de uitverkorene prijs.

 

Volgens de legende was Valentijn een martelaar die in de derde eeuw leefde. Het verhaal gaat dat hij een monnik was die de bloementuin van de abdij verzorgde. Aan jonge paartjes zou hij bloemen, als zinnebeeld van de ontluikende liefde, uitgedeeld hebben. Na zijn dood werd hij vereerd en aanbeden om zijn zegen over de geliefden af te smeken.

In 496 verbood paus Gelasius de voor de Kerk verwerpelijke Lupercus-festiviteiten. Om het te verchristelijken verplaatste hij het heidens feest een dag vroeger en liet het samenvallen met de vermoedelijke sterfdag van de toen zeer geliefde heilige Valentijn.

 

Op de vooravond van Valentijn kwamen in de middeleeuwen de huwbare meisjes en jongens samen. Ze schreven hun naam of merkteken op een blad en deponeerden het in een voor hun sekse bestemde pot. Dan trokken de meisjes een naam uit de pot van de jongens en omgekeerd. Indien door het lot een meisje en jongen elkaars naam getrokken hadden werd het een koppel.

Die lotsbestemming was algemeen verspreid.

Eveneens op de vooravond van Valentijn werd in kloosters en begijnhoven door loting de persoonlijke beschermheilige van de deelnemer of deelneemster voor het komende jaar bepaald. In sommige streken - ook bij ons - bestond de overtuiging dat, wanneer een huwbaar meisje smorgens op Valentijnsdag buitenkwam, ze binnen de drie maand zou trouwen met de eerste ongehuwde man die ze tegen kwam.

 

Het gebruik ging de wereld rond en evolueerde.

Door de Romeinen kwam het Valentijnfeest in Engeland terecht en vandaar in Noord-Amerika. Van ginder kwam het feest terug naar Europa. Hierbij was vooral het gebruik van de wenskaart nieuw. In Duitsland en Frankrijk kwam het versturen van Valentijnskaarten maar na de eerste wereldoorlog in gebruik en bij ons nog later. De feestelijkheden rond Valentijn zijn hier eerst maar in de jaren zestig van vorige eeuw goed op gang gekomen.

 

Het gebruik, zoals wij het nu kennen is, andermaal onder VS invloed, de laatste decennia sterk verspreid en gecommercialiseerd: uit eten gaan, dansevenementen, wenskaarten, geschenken ...  Maar wie had nog kunnen denken dat de ontstaansgeschiedenis van dit feest terug te vinden is in een eeuwenoud Grieks vruchtbaarheidsritueel ter ere van de mythologische (en duivelse) herdersgod Pan?

Pasen is één van de belangrijkste christelijke feestdagen. Enerzijds gaat de oorsprong terug naar de Joodse feestdag ‘Pesach’, waarbij de uittocht uit Egypte herdacht wordt. Anderzijds is het feest sterk beïnvloed door verschillende voorchristelijke vruchtbaarheidsrituelen (de lentefeesten) uit diverse culturen waarbij vrijwel overal bij de boerengemeenschappen van het noordelijk halfrond, de heropstanding van de Natuur na de lange winterperiode feestelijk onthaald werd.

 

Onze Keltische voorouders (wij noemen ze “De Oude Belgen”) vierden op 1 mei “Beltain”, het  feest van de zonnegod Belenos. Hij was de stamvader van alle goden en hierbij werd voornamelijk het ontwaken van de Natuur en het ontluiken van nieuw dierlijk leven gevierd.

 

De Germanen (waaronder de Franken) kenden een uitgebreide bomencultus. Om de komst van de nieuwe lente te vieren plantten ze op 1 mei de meiboom, met in de top een haan (zoals op onze kerktorens). Met zijn gekraai kondigt dit dier de komst van de zon aan en, bij uitbreiding, het lengen van de dagen en het nieuw ontluikende leven.

Deze boom werd getooid met allerlei zoenoffers (ook het christelijke Paasfeest is een zoenoffer) waaronder eieren. Om aan deze eieren een meerwaarde te geven werden ze versierd en kunstig beschilderd.

 

In vrijwel alle culturen ter wereld is het ei een symbool van wedergeboorte of heropstanding, maar het eieren rapen rond Pasen komt, bij mijn weten, enkel in de christelijke cultuur voor.

 

Alhoewel het universele gedachtengoed zeker van toepassing is heeft dit eieren rapen ook heel wat te maken met de veertigdaagse vasten die het Paasfeest vooraf gaat.

 

Gedurende de vasten was het destijds niet alleen verboden om vlees te eten maar ook zuivelproducten, waaronder eieren, moesten gederfd worden. Van melk maakte men kaas en het slachten van een dier kan uitgesteld worden, maar kippen stoppen niet met eieren leggen. Die eieren werden in kalkwater bewaard en zo was er tegen het einde van de vasten een overvloed aan eieren beschikbaar.

Al die oude eieren werden dan, na Pasen, zo vlug mogelijk opgegeten. Op tweede paasdag werden hiervoor speciale eiermaaltijden gehouden waarbij het de bedoeling was om dertien - dit getal brengt geluk - gekookte eieren te eten. Een tegenhanger dus van Vastenavond waarbij men, vóór de vasten begon, al het bederfbare vlees opat.

 

Maar ook de kinderen werden in deze feestelijke gebeurtenis niet vergeten. Speciaal voor hen krijgen de kerklokken vleugeltjes en vertrekken op Witte Donderdag naar Rome om er de chocoladen paaseieren op te halen om op Paaszaterdag - net zoals de Germanen deden - ze in de bomen of de tuin te verstoppen. Het gebruik zoals wij het nu kennen.

 

De ‘paashaas’ is bij ons een recent cultuurverschijnsel.

Alhoewel de haas voor een oeroud voorchristelijk vruchtbaarheidssymbool doorgaat, is het gebruik van de paashaas zeer waarschijnlijk kunstmatig in het leven geroepen om brave kinderen te belonen, en dit  als protestantse tegenhanger voor de  katholieke paasklok.

Tot een paar decennia geleden was de paashaas hier onbekend.

Maar paasklok of paashaas, het zal de kinderen worst wezen wie al dit lekkers in de tuin neerlegt of aan huis brengt. Het hoogfeest van Pasen is ook een hoogfeest voor kinderen.

Eeuwenlang werd de noodzakelijke kennis om in de toenmalige samenleving te overleven, overgedragen van vader op zoon, van moeder op dochter en dit volstond ruimschoots.

 

In onze Westerse cultuur komt les geven aan derden het eerst voor in Griekenland, de bakermat van onze beschaving. In de wandelgangen en op de pleinen van Akademia - een gehucht van Athene (vandaar ons woord: academie) - verzamelde rond 400 v. C. filosoof Socrates en later Plato, jonge rijke mannen om zich heen om hen te onderhouden over de dingen des levens. Men noemde die samenkomsten scholè, wat: “zich bezighouden in zijn vrije tijd” betekent.

 

In de Romeinse Tijd werd naar school gaan om te leren rekenen, lezen en schrijven meer algemeen, maar het bleef een voorrecht dat voornamelijk voor jongens van de begoede klasse was weggelegd. Afhankelijk van de kwaliteiten en de faam van de lesgever moest er flink voor betaald worden. En zo zal het ook bij ons eeuwen blijven.

 

In de middeleeuwen speelde lager onderwijs nauwelijks een rol. Het belangrijkste wat men de kinderen bijbracht was niet weten en kennen, maar wel doen en kunnen. Om de vaardigheden van een goed beroep of ambacht onder de knie te krijgen was het van geen belang dat men kon lezen of schrijven. Het toen bestaande onderricht werd door kerkelijke bedienden - clerici, vandaar ons woord “klerk” - gegeven, stond onder voogdij van een parochie en was bijna uitsluitend godsdienstig georiënteerd. De onderwijstaal was Latijn.

 

Naarmate de landbouw zich ontwikkelde groeiden de steden, de welvaart nam toe en meteen hadden jongeren meer ‘vrije tijd’ om naar school te gaan.

 

De zestiende eeuw wordt “De Gouden Eeuw van de Zuidelijke Nederlanden” genoemd. Er was hier toen een ongekende welvaart met Antwerpen als centrum van de Europese beschaving.

In 1541 vestigde Ludovico Guicciardini - een Florentijns koopman en geschiedschrijver - zich te Antwerpen. In zijn “Beschryvinghe van alle de Neder-Landen” (1567) verbaasde hij zich er over dat de meeste inwoners van de Zuidelijke Nederlanden, konden rekenen, lezen en schrijven, wat in de rest van Europa zeker niet het geval was.

Tijdens de daarop volgende godsdienstoorlogen trad hier een algemene verarming op. De Zuidelijke elite week uit naar de Noordelijke Nederlanden en het basisonderwijs verviel tot op het niveau van de middeleeuwen.

  

Onder Willem I werden de gemeenten verplicht om officiële dorpsscholen op te richten met gratis onderwijs voor arme kinderen. De ouders moesten dit wel aanvragen maar die konden zelf nauwelijks lezen of schrijven.

 

De grondwet van het nieuwe België bepaalde dat het onderwijs vrij was, iedereen mocht scholen inrichten. Gemeenten maakten hiervan gebruik om zelf helemaal niets meer te doen voor het lager onderwijs. Het waren terug de katholieke instellingen die er zich over ontfermden. Het schoolgeld bleef zeer hoog maar elke gemeente bleef verplicht om minstens één lagere school te subsidiëren waar gratis onderwijs aan arme kinderen gegeven werd.

 

Het waren nog merendeel jongens die naar school gingen. De meeste meisjes bleven thuis om in het huishouden te helpen. Wanneer er te veel werk was op het veld bleven ook de jongens thuis.

 

Om aan meisjes toch wat onderricht te verschaffen werden zondagsscholen opgericht. Daar werd vooral godsdienstonderwijs gegeven en werden er huiselijke vaardigheden bijgebracht. Later werd ook nog Franse les gegeven, immers: “La Belgique sera latine ou elle ne sera pas” (België zal Franstalig zijn of zal er niet zijn) en van deze stelling was kardinaal Mercier (kardinaal van 1906 tot 1926) een groot voorstander. 

 

Als één van de laatste landen in Europa werd op 19 mei 1914 gratis lager onderwijs voor alle kinderen  tussen 6 en 12 jaar (dus ook voor meisjes) verplicht ingevoerd. Sindsdien is de school geen ‘vrijetijdsbesteding’ meer.

Let wel, België kent geen schoolplicht, wel leerplicht. Het staat nog steeds elke ouder vrij om zijn kinderen zelf les te geven of om een eigen onderwijzer in dienst te nemen. 

Het gemis aan gratis arbeidskrachten bracht menig landbouwersgezin in de problemen. Daarom werden er van in het begin twee maanden zomervakantie vastgelegd, dan konden de kinderen toch nog volop helpen bij het binnenhalen van de oogst.

Wie weet nog wat ‘petsjonkelen’ is?

Vroeger heb ik het veelvuldig gezien. Het was een godsdienstoefening die enkel op 1 en 2 november, Allerheiligen en Allerzielen, beoefend werd. Meestal oudere vrouwen kwamen biddend van het graf van een overledene en liepen biddend de kerk in en uit. Dit werd petsjonkelen genoemd.

 

Het gebruik is eeuwenoud. De oorsprong zou in het hoogtij der middeleeuwen liggen, de tijd dat de kerklei­ders meer oog hadden voor de wereldlijke dan wel voor de geestelijke noden, de tijd dat er een bloeiende handel in aflaten bestond. Want aflaten waren er mee te verdienen: een volle aflaat voor de overledene voor wie men petsjonkelde - hierdoor verkreeg deze de verlossing uit het vagevuur - en vergeving voor al de eigen zonden.

Of het dan nog nodig was om nog bijkomend te biechten, is mij onbekend.

 

Een gangbare uitleg is dat - naar de naam zou zeggen - deze godsdienstoefening uit Italië komt overgewaaid, waar men van de grote kerkdeur: de "porta", al biddend in een kerkommegang naar de kleine kerk­deur: de "portiuncula" ging.

Deze uitleg is evenwel omstreden. Potiuncula betekent in het Latijn: ‘kleine portie’ en niet ‘kleine deur’. Feit is wel dat men bij de uitvoering van deze ceremonie, in en uit en rond de kerk moest gaan.

 

Hoe dan ook, in mijn geboortedorp Schellebelle ging het er zo aan toe:

- Voor het graf van de overledene bad men 1 Onze Vader en 1 Weesgegroet.

- Binnen in de kerk 5 Onze Vaders en 5 Weesgegroeten.

- Buiten aan het “vagevuur” ook 5 Onze Vaders en 5 Weesgegroeten.

Deze laatste twee handelingen moest men 3 maal doen.

- Dan terug aan het graf van de overledene 1 Onze Vader en 1 Weesgegroet.

 

In Oosteeklo was het gebruikelijk om 6 Onze Vaders, 6 Weesgegroeten en 1 “Glorie zij de Vader” te bidden.

 

Wilde men nog een volle aflaat voor het zielenheil van een andere overledene verkrijgen, dan moest men alles opnieuw doen.

Het is voornamelijk het steeds heen- en weerlopen dat men petjsonkelen noemde.

Ook hier heeft het veranderde tijdsbeeld zijn invloed nagelaten. Bij mijn weten wordt deze godsdienstoefening hier nergens meer beoefend.

 

Traditioneel wordt hier de tweede zondag van mei Moederdag gevierd. Op die dag wordt moeder door kinderen en kleinkinderen verwend en soms letterlijk in de bloemetjes gezet.

 

Het gebruik heeft zijn wortels in de natuurgodsdiensten van onze zeer verre voorouders: de oeroude devotie tot ‘Moeder Aarde’ en de scheppende kracht van de Natuur bron voor alle leven. De verering van de oermoeder uitte zich al van in de vroege steentijd (10.000 jaar voor Christus) door het vervaardigen van vrouwelijke cultusbeeldjes (soms zonder hoofd) waarbij vooral de leven-scheppende-vrouwelijke-vruchtbaarheid benadrukt werd door de borsten en dijen uitgesproken te benadrukken.

 

Bij alle Indo-Europese volkeren stonden vrouwen en mannen even hoog in aanzien. Dit vertaalde zich ook in hun godenwereld met zowel mannelijke als vrouwelijke Opperwezens.

Enkel bij de Abrahamitische godsdiensten (Jodendom, Christendom en Islam) kent men uitsluitend een mannelijke godheid. Die eenzijdige benadering, waarbij de vrouwelijke scheppingskracht ontbreekt, werd als onnatuurlijk ervaren. Al vroeg heeft het christendom haar visie aangepast door een cultus van vrouwelijke heiligen te creëren en vooral door een uitgebreide Maria-devotie in het leven te roepen.

 

Helemaal conform deze traditie was het in Antwerpen al in 1913 de gewoonte om op 15 augustus - de feestdag van Maria, patrones van de stad - de ‘Dag der Moeders’ te vieren. Dit ging met een grote Mariaprocessie gepaard. Naar analogie met Moederdag viert men er Vaderdag op 19 maart, feestdag van Sint Jozef. 

Echter, het gebruik van Moederdag zoals wij het hier kennen, komt andermaal uit de Verenigde Staten. Door het Congres werd in 1914 de tweede zondag van mei officieel als Moederdag ingesteld. Vanaf midden de jaren 20 werd die dag ook bij ons sporadisch gevierd, maar pas na de 2de WO werd dit feest in gans Europa algemeen en toen bestond dit gebruik in Antwerpen en de Kempen al meer dan 40 jaar.

 

Sommigen beweren dat men in Antwerpen, door het kiezen van een andere datum, nogal eigengereid is. Helaas ze dwalen.

Het Antwerps initiatief van Moederdag is veel ouder en sluit ook veel beter aan bij de oorspronkelijke oergedachte van ‘Moeder Aarde’ dan een, mede om commerciële redenen, kunstmatig in het leven geroepen feestdatum.

Deze sage verscheen in een publicatie van heem- en volkskundige Alfons De Cock “Vlaamsche sagen uit den volksmond” (1921). Er bestaan meerdere versies van.

Hieronder de opgesmukte versie - opgetekend uit het geheugen van mijn moeder - die mijn grootvader Eugeen Crombeen (1859 - 1933) herhaaldelijk vertelde en hij kon “met moeite zijnen naam zetten”.

Heel lang geleden woonde in het noorden van Frankrijk, ergens op de hoogvlakte van Saint-Quentin,  een oud petieterig vrouwtje in een kaduuk versleten huisje. Ze had zij niet veel, een paar kippen en een geit, maar het weinige dat ze had deelde ze met iedereen die in nood zat want ’t was de goedheid zelve.

Op een avond, ’t was koud winderig en nat weer, werd er op haar deur geklopt. Ze deed open en voor haar stond er een flinke jonge man van vooraan in de dertig. “Dag vrouwtje, ik ben op doorreis, zou ik alstublieft hier de nacht mogen doorbrengen want ik vind nergens anders slaapplaats.” “Ja natuurlijk meneer, kom binnen en zet u bij ‘t vuur, ‘k zal er rap nog wat hout op smijten dat ge warm krijgt.” Als avondmaal kreeg hij een haring met nog een overschotje aardappelen en zijn slaapplaats was tussen het hooi op de zolder. ’s Anderendaags als ontbijt een pot geitenmelk met wat droog brood, want meer had ze niet. Bij het afscheid, zei die man “Moedertje, omdat gij zo gastvrij geweest zijt wil ik u belonen. Kijk, het eerste werk dat ge deze morgen zult doen, dat zult ge de ganse dag blijven doen.” En weg was hij.

Ze dacht in haar eigen ‘wat voor een rare snuiter was dat jong (maar dat was Ons Heer, maar ja ze wist zij dat niet hee), maar hij heeft hij hier wel mijn laatste korst brood opgegeten. Allee ik moet ik naar de bakker een brood gaan halen hee mens, maar toch eerst eens kijken of ik nog wel genoeg heb.’ Ze nam haar portemonnee naar boven en begon haar geld te tellen, maar ze bleef zij tellen en tellen en tellen, en nog eens geld tellen en tellen en tellen … de godganse dag. Op het einde van de avond stak gans haar huisje zelfs de geitenstal propvol geld.

Nu was ze rijk en iedereen die iets te kort kwam deelde in haar weelde.

Natuurlijk verspreidde dat nieuws zich weldra in heel de buurt.

Dat kwam ook een oude gierige pin ter ore die wat verderop woonde. Ze zat er goed in, maar nooit zou iemand van haar ook maar iets delen. En jammeren dat ze deed ‘ik ben toch voor ’t ongeluk geboren, waarom overkomt mij dat niet … ’.

Nu, op de avond dag op dag een jaar later, ’t was koud winderig en nat weer, werd er op haar deur geklopt en ze wist het subiet, ‘’t is hij!’ en ’t was waar ook. “Kom binnen meneer, zet u bij ’t vuur ‘k zal nog een schep kolen op de stoof doen, mag ik u vragen om niet te veel lawaai te maken want mijn buren moeten niet weten dat gij hier zijt en wat wilt ge eten deze avond … en wat moet ik morgenvroeg voor u klaar maken … en ge moogt van de nacht in mijn bed slapen…” Enfin, ze sloofde zich ten alle kanten uit om toch maar in de gunst te staan. Dat belette Ons Heer evenwel niet om ’s anderendaags zijn gastvrouw vriendelijk te bedanken en haar dezelfde beloning toe te vertrouwen. “Moedertje, omdat gij zo gastvrij geweest zijt wil ik u belonen. Kijk, het eerste werk dat ge deze morgen zult doen, dat zult ge de ganse dag blijven doen.”

‘Ja’ dacht ze, ‘’t is gelukt! Maar wacht, vooraleer ik mijn geld begin te tellen ga ik toch eerst mijn voorzorgen nemen’ en ze ging naar buiten, zette haar benen wat open, schudde haar rok wat naar voor, stak haar gat wat achteruit en ze begon te pissen en pissen en pissen, ja want ze had zij een grote maal op, maar ze bleef zij pissen en pissen en pissen en nog eens pissen en pissen en pissen … de godganse dag … en zo ontstond de Schelde.

In 1914 telde België 7,6 miljoen inwoners. Het was toen één van de meest geïndustrialiseerde landen (de 5de economische wereldmacht) en het dichts bevolkte land ter wereld. Met als gevolg dat de beschikbare landbouwgrond maar voor één kwart voor de eigen voedselproductie kon instaan. Ruim drie kwart van de graangewassen werd per schip, via de haven van Antwerpen, ingevoerd vanuit Argentinië, Canada en de VS. 

 

Bij het uitbreken van de 1ste WO stelde Engeland een totale zeeblokkade tegen Duitsland in en uiteraard ook tegen de door Duitsland bezette gebieden. Dit was voor België een gigantisch probleem, een enorme voedselcatastrofe stond voor de deur en daarenboven roofde het Duitse leger alles wat nodig was voor de eigen bevoorrading. 

 

De Belgische regering was naar Frankrijk gevlucht en met haar de ambassadeurs van de verschillende landen. Maar drie diplomaten: Maurice van Vollenhoven van Nederland, Markies de Villalobar van Spanje en  Brand Whitlock van de VS waren in Brussel gebleven.

Het waren ambassadeurs van neutrale landen en ze kregen de titel van ‘Beschermd Ambassadeur’.

Twee Brusselse zakenlui: Ernest Solvay (een schatrijk industrieel) en Emile Francqui (directeur van de Société Générale) wendden zich tot dit drietal om via diplomatieke weg het probleem van de Belgische voedselbevoorrading bij de Duitsers aan te kaarten. Dezen bereikten met de Duitse Gouverneur-generaal Freiherr von der Goltz het akkoord om alle geïmporteerde levensmiddelen en hun vervoer vrij te stellen van mogelijke Duitse opeisingen.

 

Nu moest er met de Britse regering onderhandeld worden om de blokkade tegen de  Belgische bevoorradingsschepen op te heffen, iets wat lijnrecht indruiste tegen de Britse strategie.

 

Francqui trok naar Londen om te onderhandelen, maar eerst ging hij er langs bij Herbert Hoover, een oude zakenkennis uit de VS, om het probleem te bespreken.

Hoover was een geniaal zakenman en diplomaat (later zal hij de 31ste president van de VS worden) en het was vooral hij die de Britse regering wist te overtuigen. Er waren wel twee voorwaarden: alle in België geïmporteerde goederen moesten onder de controle blijven van de ambassadeurs van de VS, Spanje en Nederland en elke import moest via de haven van Rotterdam gebeuren. Nederland was niet in oorlog en dus vielen de Nederlandse havens niet onder de Britse blokkade.

 

Onder voorzitterschap van Herbert Hoover werd op 22 oktober 1914 de Commission for Relief in Belgium” opgericht. Het werd een gigantische organisatie, die tot doel had om voor “Poor little Belgium” fondsen te verwerven, schepen en voedsel aan te kopen, het naar Rotterdam te verschepen en naar België te transporteren. Acht dagen later al, op 1 november, leverde het 1ste schip een lading met 2500 ton meel, rijst en bonen af voor het bezette België!

 

Het voedsel moest ook tot bij de bevolking geraken.

Daags na de oprichting van de ‘Commission’ werd onder het voorzitterschap van Solvay het “Nationaal Hulp- en Voedingscomité” - gemeenzaam het Komiteit genoemd - geïnstalleerd, waarvan Francqui met de uitvoering belast werd.

 

In elke gemeente werd een afdeling van dit Komiteit opgericht. Daar werden de bestellingen opgemaakt die via de provinciale comités aan het hoofdbestuur in Brussel - gehuisvest in de gebouwen van de Société Générale - werden overgemaakt en die, in omgekeerde volgorde, onder de bevolking verdeeld werden. Op basis van het gezinsinkomen werd bepaald hoeveel men voor de goederen moest betalen en dit tegen een normale marktprijs.

Behoeftigen kregen gratis voedsel. Overal werden gaar- of soepkeukens geïnstalleerd. Eind 1917 was 40% van de bevolking afhankelijk van deze gratis voedselbedeling! Ook in de scholen werd gratis melk en soep bedeeld.

In 1915 werd de activiteit tot het bezette gedeelte van Noord-Frankrijk uitgebreid.   

 

Het was een bijzonder efficiënte levensreddende organisatie en op een schaal die men wereldwijd tot dan toe nog nooit gezien had. In de 4 oorlogsjaren werd in totaal 5.000.000 ton levensmiddelen in België geïmporteerd en verdeeld, met een waarde die groter was dan de begroting van de VS! Gedurende gans de oorlog functioneerde de organisatie onder de hoge bescherming van de drie genoemde ambassadeurs (ambassadeur Whitlock tot 1917 toen werd ook de VS in de oorlog betrokken).

Het is dank zij hun diplomatieke kundigheid dat de voedselbevoorrading op gang kwam en bleef, en dank zij het organisatietalent van Solvay en Francqui dat de Belgische bevolking van een gewisse hongerdood gered bleef.

(Gegevens ontleend uit de artikelenreeks van Marc Van Hecke in “Rond de Stenen Linde” tijdschrift van Heemkring Schellebelle).

 

De Hollandstellung

Midden oktober 1914 - bij het begin van de Eerste Wereldoorlog - was in België het westelijk front aan de IJzer vastgelopen. Het oorspronkelijk Duitse plan om de Belgisch-Franse Atlantische kust te veroveren en om op die manier de Engelse oorlogsbevoorrading aan manschappen en middelen naar het continent te verhinderen, was - mede door het ongemeen heftig en succesvol verzet van het Belgische leger - mislukt. Kort nadien kwam ook het front in Noord-Frankrijk tot stilstand. Er ontstond een loopgravenoorlog. Gedurende de volgende drie jaar zal die frontlijn nauwelijks bewegen, ondanks de herhaalde militaire offensieven aan beide kanten en met de enorme verliezen die hiermee gepaard gingen.

 

In de Eerste Wereldoorlog waren niet alle landen in oorlog. Nederland en Spanje bleven neutraal en de V.S. werd pas in 1917 bij de oorlog betrokken.

Bij dit ‘stabiele’ oorlogsfront hadden de Duitsers wel een gigantisch probleem. Je hoeft geen (militair) strateeg te zijn om in te zien dat de Achilleshiel van het Duits IJzerfront de rugdekking was. De Duitsers vreesden inderdaad door de Engelsen via de Westerschelde en (het weliswaar neutrale) Nederland, in de rug aangevallen te worden met alle mogelijke catastrofale gevolgen.

Een historisch bewijs voor dergelijk uitgewerkt invasieplan is er niet. Wel een ontwerpplan onder de operatienaam: “Scheme S”.

 

Al vroeger bestond een algemene militaire verdedigingsstrategie erin om belangrijke steden door een fortengordel te omringen. Deze strategie zullen de Duitsers nu toepassen voor een gans landsgedeelte. Vanaf november 1916 werden van Knokke tot Turnhout kleine fortjes, bunkers, in één aaneengesloten linie opgesteld. Tussen Knokke en Vrasene werd de linie “Hollandstellung” genoemd. Ze was 65,5 kilometer lang en omvatte 411 bunkers, waarvan 24 in Oosteeklo.

 

In de frontlinies waren wel al verdedigings- en schuilbunkers gebouwd, maar zo een lineaire opstelling buiten een frontzone was totaal nieuw. In hun soort zijn de bunkers van de Hollandstellung dus de oudste ter wereld en bijgevolg cultuur-historisch van groot belang!!

Hoog tijd dus om deze erfgoedschat in onze gemeente beter te leren kennen.

De linie

De Hollandstellung (tussen Knokke en Vrasene) was 65,5 km lang en omvatte 411 bunkers. Dus gemiddeld stonden er 5,4 bunkers per kilometer.

De ‘Stellung’ bestond uit twee linies: een voorlinie, met verspreide waarnemingsbunkers aan de belangrijkste noordelijke invalswegen, en een hoofdlinie met aaneengesloten verdedigingsbunkers. Hier waren drie types: personeel-, mitrailleur- en munitiebunkers, maar eigenlijk liepen die functies gewoon door elkaar en zijn er bijna geen twee bunkers identiek (behalve de waarnemingsbunkers). De afstand tussen beide linies bedroeg ongeveer 2 km.

De linie werd niet onmiddellijk aan de Nederlandse grens uitgebouwd, maar op het hoogste gedeelte in onze regio: de zandrug tussen Maldegem en Stekene. Vlak aan de grens met Nederland stond nog wel den Elektrieken Draad. Die was bedoeld om personenverkeer te weren en was natuurlijk totaal ongeschikt om een invasieleger op te houden. 

 

In Oosteeklo waren er 24 bunkers (nu nog 21): 5 in de voorlinie en 19 (nu nog 16) in de verdedigingslinie. Op Oosteeklo’s grondgebied is deze linie maar 1,9 km lang, wat betekent dat hier gemiddeld 10 bunkers per km. stonden. Ook in Rieme, Ertvelde, Lembeke en Eeklo stonden de bunkers veel dichter bij elkaar dan in de rest van de linie en dat heeft alles met militaire strategie te maken.

 

De ideale ontschepingsplaats bij een mogelijke Engelse inval via de Westerschelde, was de Braakman, een thans verdwenen Scheldearm van 27 km. lang ten noorden van Boekhoute. Meteen stond men al heel dicht bij het Belgisch grondgebied.

Bij een inval meer naar Knokke toe moesten de Engelsen dan nog eerst over het Leopold- en Schipdonkkanaal en bij een inval via het Waasland, over het kanaal Gent-Terneuzen.

Met die kanalen als eerste verdedigingslinie hadden de Duitsers tijd genoeg om zich erachter in stelling te brengen.

Bij een inval via Boekhoute waren er nergens hindernissen en lag het terrein wijd open. Pas in 1936 werd het Leopoldkanaal doorgetrokken tot aan de Isabellawatering.

Zo komt het dat in het Meetjesland de linie het sterkst is uitgebouwd en de bunkers het dichtst bij elkaar staan. Als je goed kijkt, dan kan je dat in Oosteeklo tot op de dag van vandaag nog altijd zien.

De bouw van de bunkers

De Hollandstellung was opgedeeld in twee zones.

De zone tussen het Zwin en Strobrugge (aan de splitsing van het Leopold- en Schipdonkkanaal) behoorde tot het “Marinegebiet”. Daar werden de bunkers volledig opgetrokken in gewapend beton.

De zone Strobrugge - Antwerpen behoorde tot het “Etappegebiet” van het 4de Duitse leger. Hier werden de bunkers gebouwd met speciale bunkerstenen. Die werden als bekisting gebruikt, ze werden op elkaar gemetseld en met betonijzer aan elkaar verbonden. Daarna werd er beton tussen gegoten. Voor het dak werden treinrails gebruikt. Tussen de rails werden planken gestoken en daarop werd beton gestort. De muren en het dak waren 1,5 meter tot 2 meter dik.

De bouw gebeurde uitsluitend door opgeëiste Belgische werklui. Die stonden onder het toezicht van één Duitse soldaat (hier noemde men hem boasken straffe) en één controlerend officier. Met tien man werd er gedurende drie maand aan één bunker gewerkt. De bouwmaterialen werden per tram, trein of speciaal aangelegd smalspoor aangevoerd en de landbouwers werden met paard en kar opgeëist om de materialen naar de bouwplaats te voeren.

Als afwerking werden de bunkers in de voorlinie nog gecamoufleerd. Er werd een houten dak opgezet en de muren werden beschilderd zoals het uitzicht van een huis. Tot slot kwam er nog een prikkeldraadversperring.

Het was ook nog de bedoeling om alle bunkers met loopgrachten te verbinden. In Ertvelde is hiervan nog een restant te zien, maar in Oosteeklo hebben we hier geen sporen van teruggevonden.

 

Bij de plaatsing werd geen rekening gehouden met de grondeigenaars. Zij kregen ook geen enkele vergoeding. De bouwvakkers werden wel vergoed. De uitbetaling in Oosteeklo gebeurde ten huize “De Pestel - Knudde” in de Heidestraat.

 

Na de oorlog werden de bunkers Belgisch Militair Domein en kregen de eigenaars een pachtvergoeding. De pacht werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers opgezegd en sindsdien waren de grondeigenaars ook de volle eigenaars van de bunkers op hun grond en konden ze er vrij over beschikken.

Op 17/07/2017 werd het klasseringsbesluit ondertekend. Sindsdien zijn alle bunkers in Oosteeklo beschermde monumenten en kunnen de eigenaars er niet meer vrij over beschikken.

Het belang van de Hollandstellung

De Hollandstellung is nooit gebruikt, althans niet voor wat ze bedoeld was. Algemeen bestaat hierdoor de opinie dat ze totaal nutteloos was. Maar niets is minder waar!!! 

De bouw van de linie had zeer belangrijke en verstrekkende gevolgen die, naar onze mening, nog onderbelicht zijn.

 

Het spreekt voor zich dat de Duitsers niet van plan waren om een mogelijke Engelse invasie via de Westerschelde zomaar te laten gebeuren. De gevolgen zouden én voor het Meetjesland én voor Nederland én voor de Belgische en Noord-Franse bevolking catastrofaal geweest zijn. Het blijft natuurlijk een hypothese. 

 

   - Een oorlogsfront in onze contreien zou een totale verwoesting van het Meetjesland tot gevolg gehad hebben. De “Verwoeste Gewesten” aan het IJzerfront laten hierbij niets aan de verbeelding over.   

    - Ook Nederland werd dan bij het conflict betrokken en zou dan moeten kiezen.

Ofwel kozen ze de zijde van de Engelsen, wat voor de Duitsers het slechtste scenario was.

Ofwel lieten ze maar begaan, wat dan door de Duitsers als collaboratie zou beschouwd worden en eigenlijk op hetzelfde neerkwam. 

Ofwel kozen ze om mee te strijden met de Duitsers. Dit zou dan wel een Engelse opmars hebben vertraagd, maar zeker niet onmogelijk gemaakt.

   - Een Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog zou onmiddellijk zijn weerslag gehad hebben op de voedselbevoorrading van het bezette België en Noord-Frankrijk.

Al vóór de oorlog kon België maar voor 25% zelf instaan voor de eigen voedselvoorziening. De rest moest van overzee aangevoerd worden. Vanaf oktober 1914 gebeurde dit, met toestemming van de Engelsen en de Duitsers, via de havens van het neutrale Nederland.

Naargelang de Nederlandse stellingname in de oorlog zou die bevoorrading ofwel onmiddellijk geblokkeerd, ofwel zeer sterk bemoeilijkt of zelfs onmogelijk zijn, met een enorme hongercrisis tot gevolg.

Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog in de winter van 1944 - ’45, gedurende zes weken, de voedselvoorziening naar West-Nederland geblokkeerd werd, veroorzaakte dit een hongerramp van catastrofale omvang. Ruim twintigduizend mensen kwamen er om door honger en kou.

 

Alle oorlogsmiserie ten spijt, mogen we ons gelukkig prijzen dat de hollandstellung gebouwd werd.

 

De opstelling van de Stellung gebeurde zo strategisch en de bunkers waren zo sterk geconstrueerd, dat het afschrikkingseffect compleet was. Daarenboven was de achterliggende organisatie zo efficiënt dat, bij de eerste tekenen van een invasie, de volledige linie op twee dagen tijd op volle capaciteit bemand was. Alle reserve-eenheden en regimenten in rust moesten hiervoor instaan.

De Engelsen hebben dan maar alle verdere intenties opgegeven en mogelijke invasieplannen via Nederland in de schuif laten liggen.

Naschrift

Tijdens het Bunkerweekend op 9 en 10 september 2017, vernamen we van een paar bezoekers nog enkele interessante aanvullingen en wetenswaardigheden. De moeite om ze hierbij te noteren.

 

- Ook in de Bosstraat in Oosteeklo was een waarnemingsbunker gepland, aan de linkerkant richting centrum en, zoals al de andere, gesitueerd langs de hoogtelijn van 7,5 m én naast een invalsweg vanuit het noorden. Op onderstaande kaart staat hij in het rood.

 

 

Deze bunker was in opbouw en de bouwactiviteit was midden 1917 gestopt. Dit valt samen met het begin van de derde slag om Ieper. De muren waren maar een meter hoog opgemetseld en nog niet volledig opgevuld met beton.

Omwonenden hebben hem onmiddellijk na de oorlog (al in december 1918) afgebroken en het bouwmateriaal zoveel mogelijk gerecupereerd. Het funderingsblok werd met de grond uit de bouwput afgedekt en opgehoogd zodat er terug geschikt bouwland ontstond. Nu nog wordt regelmatig op die plaats rijnzand en keien boven geploegd.

 

Onze veronderstelling dat de linie niet volledig werd afgewerkt wordt hierbij bevestigd.

In Oosteeklo hebben dus in totaal 25 bunkers gestaan: 19 in de verdedigingslinie en 6 in de voorlinie, waarvan 1 nog in aanbouw. Het bestaan van deze onafgewerkte waarnemingsbunker hebben we in geen enkel document teruggevonden.

 

Het feit dat de muren nog niet opgevuld waren met beton, zegt ook iets over de werkwijze. Men metselde de buitenmuren en lieten die blijkbaar eerst wat uitharden, vooraleer men er beton tussen goot.

 

(Correctie: Bij een grondinspectie ter plaatse na het Bunkerweekend, is er wel nog veel materiaal - vooral zand en keien - teruggevonden, maar geen funderingsblok. Hieruit kunnen we besluiten dat de nodige bouwmaterialen voor de bunker wel al aangevoerd waren, maar dat men met de bouw nog niet begonnen was.)

 

- Een werknemer bij de firma die destijds bunker 14 en 17 heeft afgebroken, bevestigde de genoteerde verhalen. Bunker 14 was zeer moeilijk te slopen en bunker 17 lag op één dag plat. Bij deze laatste was ook zeer weinig betonijzer aanwezig.

 

- Een paar bezoekers getuigden van hun grootouders gehoord te hebben dat de omwonenden ’s nachts het ijzer uit de bunkers in opbouw gingen stelen. Dit gebeurde voornamelijk bij bunkers op afgelegen plaatsen, waar geen sociale controle was. Ook cement werd gretig uit de bouwplaatsen ontvreemd. Naar verluidt waren de bouwwerven niet afgesloten en was er ‘s nacht weinig of geen bewaking.

 

- Nog een getuigenis gehoord dat de bunkerstenen met binnenschepen via de haven van Gent aangevoerd werden. Voor het verdere transport werd niet alleen de trein maar ook de Burgravenstroom gebruikt om - met platbodemtrekschuiten - materiaal naar de werven in onze streken te transporteren. Aan diverse brugovergangen waren eenvoudige aanlegplaatsen om het bouwmateriaal te ontschepen. Deze werden dan overgeladen op de opgeëiste (landbouw)voertuigen.

 

- In onze streek werden voornamelijk tramrails als plafondbekisting gebruikt. Tussen de spoorstaven werden stevige planken gestoken. Blijkbaar was er aan rails geen gebrek. In sommige bunkers (niet in Oosteeklo) bestaat die bekisting enkel uit rails die naast elkaar liggen.

De godslamp in de kerk

 

Wat is een godslamp? Wikipedia verduidelijkt:

In katholieke kerken is de godslamp een olielampje in de buurt van het tabernakel dat blijft branden zolang het Heilig Sacrament in het tabernakel aanwezig is. De godslamp getuigt van Christus’ Werkelijke Tegenwoordigheid.

 

Het gebruik ontstond in de 4de eeuw en werd in de 13de eeuw verplicht.

 

Dus in elke katholieke kerk moet een godslamp branden wanneer een gewijde hostie (het Heilig Sacrament) aanwezig is en dit als teken dat er iemand tegenwoordig is.

Waarom eigenlijk, waarom is een brandende godslamp een teken dat: ‘er iemand thuis is’?

De reden is poepsimpel: in elk bewoond huis moest men destijds ‘de lamp brandende houden’ om het vuur te bewaren en dat die lamp bovendien nog licht gaf was aangenaam meegenomen, dit was oorspronkelijk slechts bijzaak. Een brandende lamp als lichtbron werd pas veel later hoofdzaak.

 

 Vuur bekomen en bewaren

 

Tot nog pakweg 180 jaar geleden was vuur aanmaken een kundige bezigheid, een vuurslag (een koolstofhoudende ijzeren staaf), een vuursteen (een zeer harde kei) en tondel (een boomzwam of gebrand linnen) werd hiervoor gebruikt.

Chinezen en Romeinen kenden wel het solferstokje (de voorloper van de lucifer) maar daarmee kon men geen vuur aanmaken. De zwavel was veel te zacht om door wrijving te kunnen ontbranden. Om die solferstokjes te ontsteken had men toen nog een andere gloeibron nodig.

 

In onze streken gebeurde vuur aanmaken destijds zo: het werd ‘geketst’ en het was geen eenvoudig werk. De tondel lag in een ondiepe ijzeren doos, daarboven sloeg men met de vuurslag langs de vuursteen tot er voldoende gensters in de tondel vielen, deze gensters werden aangeblazen tot er een gloed ontstond en in die gloed stak men een solferstokje tot dit vuur vatte. Daarop werd de doos onmiddellijk gesloten zodat de gloed uitdoofde, want de tondel moest nog een paar keer meegaan. Bij gebrek aan een solferstok moest men de tondel aanblazen in zeer brandbaar en droog materiaal tot daarin een vlam ontstond. Oude vogelnesten, mos, berkenschors, hennepvezels enz. kwamen hiervoor in aanmerking. Toch een vrij omslachtige manier om vuur te maken en niet iedereen had de noodzakelijke benodigdheden in huis. Het was véél eenvoudiger om een bestaand vuur niet te laten uitgaan of om, zeker in burgerhuizen, over een permanente vlam als vuurbron te beschikken.

 

En zo werd een brandende olielamp in huis ook een teken dat het huis bewoond was.

Vóór de petroleum in voege kwam (in Gent rond 1858) werden de vuurlampen met koolzaadolie gevuld. Het waren kleine lampen, meestal met een vooruitstekende toot met er onder een gootje om mogelijks afdruipende olie te recupereren. Die olie moest aangekocht worden en bij geldnood werd de lamp scheef gehangen om toch nog de laatste restjes olie te benutten. Vandaar onze zegswijze: De lamp hangt er scheef, het is er armoe troef. Kijk maar eens naar de gravure: “de magere keuken” (Pieter Bruegel 1563), in de open haard hangt de lamp er ook scheef.

Een brandende lamp moest met zorg omkleed worden, ze werd tegen tocht beschermd. Immers, wanneer de lamp doofde had men een probleem om opnieuw vuur aan te maken. Er zat dan meestal niets anders op dan dat de huisvrouw - het was steeds vrouwenwerk - bij haar buurvrouw vuur ging schooien en dit werd als vernederend ervaren. Nog steeds wordt soms smalend de vraag gesteld aan iemand die haastig komt langsgelopen: Es 't vier uit messchien? alsof die dringend op zoek is naar een vuur.

 

Vuur, gloeiende houtskool, transporteren gebeurde meestal in een versleten klopper (klomp) of oude koehoorn want met een brandend vuur open en bloot op straat lopen, is gevaarlijk natuurlijk. Al in 1336 is er in Hazebroek de verordening: dat niemand in andermans huis vuur mag halen tenzij in stopen of in potten.

 

Een huis inbranden

 

En wat met een nieuwgebouwd huis? Dit werd ‘ingebrand’. ’t Is te zeggen: de buurvrouwen brachten vanuit hun haard het vuur naar de nieuwe woonst waarmee dan de nieuwe haard ontstoken werd. Dan was het feest voor gans de buurt en meteen werden de nieuwe buren door de plaatselijke gemeenschap verwelkomd en in hun midden opgenomen.

 

Als eerste zelf vuur in huis maken was uit den boze. Immers, er heerste nog het hardnekkig bijgeloof dat zij die zelf voor het eerst haar haard ontstak onheil bracht over haar huis en zijn bewoners. Voorzeker zou dit huis later door de bliksem getroffen worden en in het vuur ten onder gaan. Daarenboven werd ook de plaatselijke gemeenschap hiermee buiten spel gezet. De daderes werd maar scheef bekeken en verdere sociale contacten werden gemeden.

In hechte buurtgemeenschappen bestaat de ceremonie van het inbranden nog steeds. Nieuwkomers worden op een buurtfeestje uitgenodigd waarbij een feestvuur ontstoken wordt.

 

Het gebruik van ’inbranden’ is universeel. Het vuur, dat bij de aanvang van de Olympische spelen van de berg Olympus gehaald wordt en ceremonieel naar de locatie van de nieuwe spelen overgebracht wordt, kent hier zijn oorsprong. Zolang de spelen duren moet dit vuur ook blijven branden en eenmaal de spelen beëindigd wordt het gedoofd.

 

En dan komen de stekskes

 

In 1827 werd een hard zwavelmengsel verkregen waarmee men door wrijving de solferstokjes zelf kon doen ontbranden. Ze werden ‘lucifers’ genoemd (van het Latijn: lux = licht, ferre = dragen, brengen). Wat een vooruitgang, wat een revolutie in de wereldgeschiedenis! Stel je voor, men kon nu in één handbeweging vuur maken! Tondel en vuurlampen werden naar de musea verwezen. In België werd in 1835 te Lessen de eerste luciferfabriek gebouwd, maar de ‘stekskes‘ waren nog van slechte kwaliteit. In 1850 deed men het in Geraardsbergen beter, kwaliteit en productie namen toe en op een paar jaar tijd werd België, na Zweden, de grootste luciferproducent van Europa.

Als je in een kerk komt en je ziet de godslamp branden, denk er dan eens aan dat hier een belangrijke, eeuwenoude cultuurgeschiedenis mee gepaard gaat.

 

Bij de natuurvolkeren - jagers verzamelaars - werd de jaarindeling bepaald door de stand van de maan. Zij kenden het maanjaar, dit bestond uit 354 dagen en was ingedeeld in 12 maanden van 29 of 30 dagen (een maancyclus bedraagt 29,53 dagen, vandaar ons woord ‘maand’).

De aanvang van het maanjaar, nieuwjaarsdag, verschoof elk jaar door de seizoenen heen. Voor de jagersvolkeren was het onbelangrijk wanneer het kalenderjaar begon, zij volgden de trek van hun jachtdieren waarvan ze afhankelijk waren.

 

Bij boeren ligt dit anders, zij moeten de meest geschikte periode kennen om te zaaien en te oogsten en bijgevolg zijn zij seizoensgebonden. De seizoenen worden bepaald door de stand van de zon en dus hebben boeren een zonnekalender nodig.

 

Een zonnecyclus telt 365,242 dagen en is bijgevolg moeilijk vast te leggen. Gemakkelijker is het om met de hulp van invallende zonnestralen, de equinox (wanneer dag en nacht even lang zijn) en de zonnewende (de langste en kortste dag) te bepalen en hiervoor werden verschillende constructies opgesteld. Zo hebben o.a. Stonehenge en sommige megalithische monumenten (dolmen, menhirs, tumuli) ook deze kalenderfunctie, maar andere dan weer niet.  

 

De Kelten hanteerden nog het maanjaar. Ze rekenden trouwens ook in nachten en niet in dagen. Om toch met de seizoenen gelijk te lopen werden regelmatig maanden bij de bestaande maankalender ingevoegd.

Een volledige Keltische kalendercyclus bestond uit 62 maanden van 29 of 30 nachten en deze viel samen met 5 zonnejaren. Bij de Kelten werd nieuwjaar in de nacht tussen 31 oktober en 1 november gevierd, het feest van Samain.

 

Bij de Germanen ging het er anders aan toe. Zij vierden bij het begin van de winter het Joelfeest. Dit begon bij de zonnewende in de nacht tussen 20 en 21 december, de langste nacht van het jaar. Zij waren bevreesd dat de zon niet meer zou terugkeren en daarom legden ze grote vuren aan om de duisternis te verdrijven. Wanneer ze na een paar nachten merkten dat de dagen terug begonnen te lengen werd de geboorte van het licht gevierd (verchristelijkt tot kerstmis). Dit ging met uitzinnige vreugdefeesten gepaard.

Het Joelfeest duurde 12 nachten en in de laatste nacht vierde men het begin van het nieuwe jaar (1 januari). Onze ‘kersttronk’ (een taart in de vorm van een boomstam) die enkel bij de eindejaarsfeesten op tafel komt en andere soortgelijke versieringen zijn nog verwijzingen naar die Germaanse zonnewendevuren.

 

Nieuwjaar vierden de Romeinen op 1 maart bij het ontluiken van de natuur net voor de lente begon. Daarom werden september, oktober, november en december respectievelijk de 7de, 8ste, 9de en 10de maand genoemd. Februari was de laatste maand van de kalender. Met slechts 28 dagen was deze maand meteen ook de kortste en om de vier jaar werd er één dag bijgevoegd om de zonnekalender te kunnen volgen.    

 

Het kerkelijk jaar begint bij het Paasfeest en ook deze ‘nieuwjaarsdag’ wordt door de maancyclus bepaald met een variabele kalenderdatum. Het kerkelijk jaar is echter geen kalenderjaar. Ook de Joden kennen nog steeds het maanjaar met elk jaar een andere nieuwjaarsdag.

 

Niet alleen kent een maand een variabel aantal dagen, ook voor de week was dit zo.

Een week telde bij de Joden 7 dagen, bij de Romeinen 8, bij Grieken en Kelten 9 en ten tijde van de Franse Republikeinse kalender bestond één week uit 10 dagen.

We horen regelmatig de zegswijze dat iemand stinkend rijk is en het is goed om weten dat deze uitdrukking tot pakweg 220 jaar geleden letterlijk te nemen is. Het heeft alles te maken met onze christelijke begravingscultuur.

 

Bij zowat alle volkeren en culturen ter wereld zijn begraafplaatsen heilige plaatsen.

In de oudheid was het bij de christenen gebruikelijk om de overledenen in de kerk te begraven. Alle christelijke overledenen. Met het oog op de verrijzenis moest het lichaam ook zo intact mogelijk begraven worden. Crematie was dus verboden.

Begraven in de kerk was op termijn niet langer houdbaar. Vanaf de 12de eeuw werden de begraafplaatsen rond de kerk ingericht, vandaar de naam: kerkhof. Echter, het blijft nog tot eind 18de eeuw gebruikelijk dat geestelijken en rijke burgers binnen het kerkgebouw begraven werden. Dezen stonden hoger op de sociale ladder en blijkbaar hadden ze een gouden zieleken.

 

Deze lijken in ontbinding verspreidden natuurlijk een onaangename geur in de kerk.

Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk wou ingrijpen. In 1771 overhandigde ze een memorie aan de Raad van Vlaanderen over ‘de nadelen die voortspruiten uit de gewoonte om binnen de steden te begraven en vooral in de kerken’. De aanbeveling was om begraafplaatsen buiten de woonkernen in te richten en het begraven in de kerk volledig te verbieden.

Op 5 juni 1772 bracht de Raad van Vlaanderen positief advies uit met o.a. volgend argument:

Wanneer wij een kerk binnentreden ’s morgens, als ze wordt geopend, bevangt ons de lijkgeur (…) van geluk weten zij nog te spreken, die van de bedorven lucht niets anders ondervinden dan een tijdelijke onpasselijkheid.

Van de aanbeveling kwam nog niet veel in huis. Een decreet van 16 juni 1784 uitgevaardigd door keizer Jozef II (de keizer-koster) - dat later door Napoleon herhaald werd -  maakt er voorgoed een eind aan.

 

Aan de buitenkant van heel wat kerken bevindt zich een ‘calvarie’, zo ook aan de kerk van Oosteeklo. Het werd dan gebruikelijk dat geestelijken en notabelen in die omgeving begraven werden.

Bij sommige kerken bevindt zich onder de calvarie een afbeelding van het vagevuur, de omgeving wordt er dan ook ‘’t vagevuur’ genoemd. Dit tot genoegdoening van de goegemeente. Immers die rijke stinkers hebben, naar men zegt, de mensen te veel onrecht aangedaan en dus kunnen ze toch niet rechtstreeks naar de hemel.

Eind vorig jaar was het in ’t Nieuws: rond Kerstdag hebben bakkers handen vol werk om honderden kerststronken te maken om aan de vraag van hun klanten te kunnen voldoen. Deze taart, in de vorm van een boomstam, is het uitgelezen nagerecht om de feestmaaltijd van Kerstdag af te sluiten.

Maar waarom eigenlijk? Waarom komt deze taartvorm enkel bij de eindejaarsfeesten op tafel en niet bij andere feestelijkheden?

 

Andermaal is de oorsprong hiervan te zoeken bij de winterzonnewende en de wintervuren van onze verre voorouders. In een vorige bijdrage hebben we het er al eens over gehad.

Germanen vierden bij het begin van de winter het Joelfeest. Dit feest begon bij de winterzonnewende in de langste nacht van het jaar (de nacht tussen 20 en 21 december). Zij waren bevreesd dat de zon niet meer zou terugkeren en daarom legden ze grote vuren aan om de duisternis te verdrijven. Wanneer ze na een paar nachten merkten dat de dagen terug begonnen te lengen werd de hergeboorte van het licht gevierd (verchristelijkt tot kerstmis).

Dit ging met uitzinnige vreugdefeesten gepaard. Het Joelfeest duurde 12 nachten en als slot vierde men in de laatste nacht het begin van het nieuwe jaar. In de westelijke cultuur is dit 1 januari, nog steeds het begin van het nieuw kalenderjaar.

 

Het gebruik van die oeroude midwintervuren is nog niet verdwenen. In Midden- en Noord-Europa worden bij de winterzonnewende - en nog steeds in gemeenschapsverband - op tientallen heuveltoppen nog altijd grote vreugdevuren aangelegd die dagen kunnen branden.

In de geest van onze (zelfs nog niet zo verre) voorouders werden hierdoor ook alle lichtschuwende bozegeesten verdreven en door nadien de overgebleven as over de velden te verspreiden zouden de gewassen weliger tieren en werden de velden voor mogelijks onheil, zoals hagel en bliksem, gevrijwaard.

 

Bij ons is vooral Nieuwjaar een gemeenschapsfeest gebleven.

Kerstmis is voornamelijk een familiefeest waarbij het haardvuur flink wordt opgestookt en er op geen houtblok gekeken wordt. De feesttafel wordt versierd met lichtbrengende kaarsen, groene twijgen en boomschors, en als afsluiter een taart in de vorm van een boomstam.

Oeroude voorchristelijke symbolen die nog teruggaan tot die Germaanse zonnewendevuren, om - net zoals al de gemeenschapsvuren - geluk en voorspoed over de gemeenschap af te smeken.

 

Heden zijn bij ons nog maar een paar gemeenschapsvuren overgebleven.

De kerstboomverbranding is er één van en de kerststronk is er een verwijzing naar.

Ieder vrouwtje hoe rijk of hoe arm

maakt met Lichtmis haar pannetje warm.

 

Met Lichtmis, 2 februari, wordt door de katholieke kerk de zuivering van Maria en de opdracht van Jezus in de tempel van Jeruzalem herdacht.

Het rijmpje is een geheugensteuntje dat er die dag traditioneel pannenkoeken gebakken worden. Echter, Lichtmis is niet enkel een pannenkoekenfeest; hier is veel meer mee gemoeid.

 

Een feest van het Licht als Geluksbrenger

 

Zoals de naam het zelf zegt is het vooral een feest van het “licht”.

Op Lichtmis worden traditioneel kaarsen gewijd en - vroeger - kaarsjesprocessies gehouden. Dit staat symbool voor het feit dat, 40 dagen na Kerstmis (de hergeboorte van het licht) Christus (als het licht voor alle volkeren) zijn  intrede in de tempel van Jeruzalem deed, om aan God opgedragen te worden.

 

Eeuwenlang waren brandende kaarsen en open vuren de enige lichtbronnen in huis. Daarnaast hebben gewijde kaarsen in het religieuze leven van onze voorouders altijd een belangrijke rol gespeeld. Na de wijdingsceremonie trok de boer met een brandende gewijde kaars door het erf waarbij hij op de deurdrempels, staldieren, zaaigraan en velden telkens een paar druppels kaarsvet liet lekken dit om alle mogelijk onheil af te weren. Bij onweer en ontij werd ook in menige burgerwoning de gewijde kaars ontstoken om het huis voor donder, bliksem of stormvloed te vrijwaren en bij het sterfbed van een familielid brandde de kaars om een rustige doodstrijd te bekomen.

 

Alhoewel het nog volop winter is, zijn in die periode de dagen al merkelijk langer. Met een schalkse woordspeling maakte men dit duidelijk: “Met Lichtmis kan men het licht missen”. Er kan van dan af, zonder bijkomend licht, langer gewerkt worden.  

 

Een Vruchtbaarheidsfeest

 

Lichtmis is ook nog het overblijfsel van een oeroud Keltisch feest waarbij de vrouwelijke vruchtbaarheid geëerd werd.

 

Op 1 februari werd “Imbolc” gevierd. Het woord betekent letterlijk in de buik en dit verwijst naar de ooien die rond die periode drachtig werden. Het was het feest van de levenbrengende Moedergodin waarbij men, in stoet, met haar afbeelding door de velden trok. Hierdoor werd de aarde gezuiverd vóór ze nieuwe vruchten kon dragen.

Na dat zuiverings- en vruchtbaarheidsritueel kon de boer met de eerste grondbewerking beginnen. Zo moest ook Maria, na haar bevalling, in de tempel een zuiveringsritueel ondergaan vooraleer ze terug aan het openbaar leven mocht deelnemen.

 

Lichtmis werd in de katholieke kerk een van de grote Mariadagen. Meestal spreekt men zelfs van “Maria-Lichtmis”. Maria als vrouwelijk element naast de mannelijke godheid.

Tot in de 17de eeuw werd op die dag ook de gewone vrouw geëerd; wij zouden dit nu “vrouwendag” noemen.

 

En er is nog een verwijzing naar de vrouwelijke vruchtbaarheid. Het rijmpje zegt dat op Lichtmis ‘ieder vrouwtje haar pannetje warm maakt’; maar het woord ‘pannetje’ heeft in het Oudnederlands een ook seksuele bijbetekenis.

Zonder verdere uitleg begrepen onze voorouders onmiddellijk waarover het ging.

 

Een Pannenkoekenfeest

 

Eeuwenlang was Lichtmis ook een feest voor de boerengemeenschappen. Boerenmeiden en knechten konden destijds maar op twee vaste tijdstippen in het jaar hun werk opzeggen, om b.v. te  trouwen of van werkgever veranderen. Dit was op 11 november (Sint-Maarten), nadat de oogst binnen was en op 2 februari, bij het begin van de grondbewerkingen voor de nieuwe oogst. (De data kunnen van streek tot streek verschillen. Ik heb niet kunnen achterhalen welke data in Oosteeklo gebruikelijk waren).

 

De wisseling van dienstpersoneel werd natuurlijk uitbundig gevierd en dit ging soms met echte uitspattingen gepaard. Zo kreeg het woord “lichtmissen” een negatieve betekenis.

Om de nieuwkomers in de arbeidsgemeenschap op te nemen werden speciale haardkoeken gebakken. Het deeg bestond uit rogge- of gerstemeel en aangezien rond die periode de kippen terug waren beginnen leggen, had men eieren genoeg om een feestelijk beslag te maken.

Gezeten rond het open vuur - oorspronkelijk in het midden van de woonplaats - bakte men op grote, platte stenen die in het vuur heet gestookt werden; later op een ijzeren plaat. Nadat het open vuur tot een wandhaard geëvolueerd was kon niet iedereen er nog rond zitten en er was ook minder plaats om de plaat te heten. Pannen kwamen in gebruik en zo evolueerde de haardkoek tot pannenkoek.  

 

Het pannenkoekenbakken op Maria-Lichtmis is, in elk geval, een gebruik dat aanbeveling verdient. Immers, volgens het volksgeloof, zullen zij die op die dag ’s avonds pannenkoeken eten, het hele jaar door rijk en gelukkig zijn en dit wensen we iedereen toe.

Tijdens de voorbije Terteravond (13 / 02 / 2018) werd ik aan een tafel geroepen met de vraag of ik wist welk deel van het varken de zaugevettere was en of ik wat uitleg kon geven. 

Zaugevettere? … nooit van gehoord. Na enige verduidelijking bleek dat het om een stuk varkensvlees gaat dat vroeger gebruikt werd om de zagen te smeren opdat ze beter zouden glijden … en dan viel mijnen frank. Ha ja, natuurlijk, het is het plaatselijk dialectwoord voor wat in het AN “pezerik” genoemd wordt en daar valt heel wat over te vertellen, iets wat je als Oosteeklonaar zeker zal interesseren. Maar sta me toe om eerst door ‘van Dale’ het woord te laten verklaren.

“Pezerik: de uitgesneden roede van een varken, o.a. gebruikt om zagen te smeren” (dus het geslachtsorgaan van het geslachte mannetjesvarken). Duidelijk.

Speciaal aan de pezerik is dat hij een grote hoeveelheid korrelig orgaanvet bevat. Nu is dit slachtafval, maar vroeger geenszins en hij werd zeker niet alleen gebruikt om het zaagblad te smeren, het gebruik ervan was véél veelzijdiger.

Vóór de 1ste WO behoorde - volgens Jozef Weyns (°1913 - †1974), onze meest vermaarde volkskundige - in menig boerenhuis de pezerik tot de gewone huisvoorraad.

Eerst werd er door moeder de vrouw een paar keer soep van gekookt tot “’t vet van de soep” was (vandaar de uitdrukking!) en hij bijgevolg hiervoor niet meer dienstig was.

Het meeste orgaanvet was dan wel al afgesmolten maar er bleef nog voldoende over voor verder huishoudelijk gebruik. Allerlei toepassingen waren nog in trek: huidkloven aan handen of voeten werden er mee behandeld, bakvormen mee ingevet en riemen, laarzen of schoenen mee ingewreven om het leder soepel te houden. Nadien werd er, buitenshuis, zoals al gezegd de zaag mee gesmeerd, maar ook ander alaam waaronder ploegijzers, spaden, schoppen, pikken en zeisen werden er mee ingevet met de bedoeling om roestvorming te voorkomen.

En dan was ‘t nog niet gedaan. Wat er nog van overbleef werd in een boom gehangen, als mezenbol voor de vogels, tot uiteindelijk de kat met de laatste rest ging lopen en zij er ook nog iets aan had.  

Zo zie je maar, ’t is toch al dienstig dat van ’t varken komt, zelfs de zaugevettere.

Begin maart was het in het Nieuws: het “Menapisch varken” is terug. Door kruising van oeroude varkensrassen, waaronder het Europese everzwijn en het Iberisch varken (van de ‘pata negra’, een neef van het Menapisch varken) heeft men het ras opnieuw ontwikkeld.

Een eeuwenoud levend erfgoed van bij ons is hierdoor in eer hersteld en dat kunnen we alleen maar toejuichen.

Even verduidelijken. Vanaf 750 vóór Christus kwamen Keltische volksstammen zich in onze streek vestigen. Deze noemen wij nu gemeenzaam “De Oude Belgen”. Eén van deze stammen waren de Menapiërs en zij woonden in het noordelijk deel van huidig Frans- West- en Oost-Vlaanderen, zowat boven de lijn van Leie en Schelde.

Hun woongebied van toen was eigenlijk één groot moerasland, waar de zee langs kreken en inhammen kilometers diep het binnenland instroomde, afgewisseld met ondoordringbare bosgebieden.  

Kelten waren boeren, ze deden aan landbouw en veeteelt en het waren vooral de Menapiërs die zich hierbij op de varkenskweek hadden toegelegd (’t is hier nog altijd ‘t zelfde). Ze bezaten varkenskudden van honderden dieren. Het spreekt voor zich dat ze al dat vlees niet zelf opaten; het overgrote deel was voor de uitvoer bestemd en dus moest het kunnen bewaard worden.

De enige toen bestaande oplossing hiervoor was pekelen en drogen. Voor het pekelen was veel zout nodig en zout was nu net het tweede grote exportproduct van de Menapiërs. Het zout werd uit zeewater gewonnen (zeewater bevat ongeveer 30 kg zout per m³) door het over heet gestookte tegels te hozen en nadat het water verdampt was en de tegels afgekoeld waren er het achtergebleven zout van te schrapen.

De Romeinen van destijds waren fervente varkenseters. De grote beschikbaarheid en lange bewaartijd van het Menapisch varkensvlees was hen niet ontgaan; ze vonden het uitermate geschikt om er hun legioensoldaten mee van vlees te voorzien.

De reisduur van het Menapisch stamland naar Rome bedroeg maanden en gedurende die periode had het vlees rustig de tijd om verder te rijpen. De Romeinen kregen dan ook een uitstekend product op hun bord en daar zijn getuigenissen van.

Rond 200 vóór Christus - dus ruim vóór Cesar hier op veroveringstocht trok - noteerde de Romeinse staatsman Cato (leefde van 234 tot 149 vóór Christus) dat drie tot vierduizend hespen en ribstukken van varkens uit “Belgica” in de kelders van Rome bewaard werden.

Cato schreef dat het varkensvlees uit België kwam, maar geschiedschrijver Plinius de Oude (leefde van 23 tot 79 na Christus) is specifieker. Hij schreef dat het Menapische varkens waren (dus afkomstig van hier, van bij ons), waarvan de hespen op de markten van Rome het meest gegeerde product was dat als zoete broodjes van de hand ging.

Blijkbaar waren niet alleen de legioensoldaten maar ook de Romeinse burgers verzot op dit vlees. Voor hen waren het de beste hespen uit hun keizerrijk en zij konden het weten.

Het Menapisch varken, een subliem varken, ‘lekker van bij ons’ en de hespen ‘met zeezout en de tijd als enig ingrediënt’. Toch iets waar we trots op mogen zijn.

Wij zeggen kirmesse maar, hoofdzakelijk in steden, is ook het woord ‘foor’ in gebruik voor hetzelfde soort van volksactiviteit.

De woorden ‘foor’ en ‘kermis’ zijn synoniem geworden. Nochtans gaat het in oorsprong om twee totaal verschillende gebeurtenissen. Blijkbaar is dit niet goed geweten want zelfs “Wikipedia” scheert de twee over één kam en legt bijgevolg de ontstaansgeschiedenis en evolutie van beiden verkeerd uit.

Het woord ‘foor’ komt van het Latijnse feria: feestdag, rustdag.

Foren zijn van profane oorsprong. Ze werden door plaatselijke gezaghebbers om economische redenen opgericht, om de handel te bevorderen (nog steeds preken we van ‘handelsfoor’). Hierdoor zijn alle (kermis)foren onlosmakelijk verbonden met jaarmarkten (‘markt’ van het Latijnse: mercari: handel drijven, kopen) en die vallen bijna nooit op een zondag.

Vooral in grotere centra, waar veel bedrijvigheid was, kon een jaarmarkt dagenlang duren. Zo ontstond al in de 13de eeuw in Antwerpen de ‘Sinksenfoor’, waarbij de wol van de pas geschoren schapen verhandeld werd en men van die gelegenheid gebruikt maakte om allerlei noodzakelijke inkopen te doen.

Het spreekt voor zich dat bij een dergelijke belangrijke gebeurtenis vrienden en kennissen van heinde en ver uitgenodigd werden en dat dit jaarlijks weerzien tot feesten aanleiding gaf.

Op jaarmarkten werden goede zaken gedaan en veel geld verdiend; er werd dan ook grote sier gemaakt en het verteer in de herbergen was navenant.  

De ‘Gentse feesten’ hebben eveneens een profane en economische oorsprong. In 1843 besloot de Gentse burgerij om alle wijkkermissen in één week samen te brengen met de hoop dat de fabrieksarbeiders dan gedurende de rest van het jaar minder op het werk zouden afwezig zijn.

Kermissen daarentegen zijn van godsdienstige, christelijke oorsprong. Ze zijn verbonden aan een parochie- of kloosterkerk. Het woord komt van het Middelnederlands kerckmisse. Dit was de plechtige mis bij de jaarlijkse viering van de inwijding van de kerk en het is altijd een zondag.

Ter gelegenheid van kerkwijdingen werd door pausen en bisschoppen kwistig omgesprongen met het uitdelen van allerlei aflaten en dit zal in de ontwikkelingsgeschiedenis van dit aanvankelijk zuiver religieus feest zeer belangrijk worden.

Aflaten werden verleend aan allen:

- zij die tot de bouw van de kerk op een of andere manier hadden bijgedragen.

- zij die op de dag van de kerkwijding aanwezig waren, of binnen dezelfde maand in de kerk kwamen bidden.

- zij die op de dag van de jaarlijkse viering naar de kerckmisse kwamen.

Op die jaarlijkse herdenkingsdag stroomde het volk samen om - zeker in de beginperiode - zoveel mogelijk aflaten te kunnen verdienen en natuurlijk, inherent wanneer veel volk samenkomt, werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om te feesten.

Bovendien was er nog het kerkgebod dat er in de periode vóór het kerkwijdingsfeest door de plaatselijke parochianen moest gevast worden. Lichaam en geest moesten immers gezuiverd worden om aan die belangrijke liturgische viering te mogen deelnemen en daarom was blijkbaar een voorafgaande vastenperiode nodig om de zonden uit te boeten die door de krankheid van het vlees en de besmetting der begeerlijke lusten bedreven waren.

Een goede reden dus om op de dag van de viering de feesttafel klaar te zetten en een nieuw vat aan te slaan, om zich te buiten te gaan aan spijs en drank.

Het duurde dan ook niet lang of feestmaaltijden, drankgelagen en volksspelen organiseren, dansen en ongeremd plezier maken werden hoofdzaak en het verdienen van aflaten maar bijzaak en bij gans dit feestgebeuren werd klein en groot betrokken. De Kermis was geboren.

Al midden 13de eeuw getuigt de Brabantse pater Thomas van Cantimpré:

Op de scheiding van de landen van Vlaanderen en Brabant is een dorp gelegen. In dit dorp waren op de dag van het kerkwijdingsfeest veel mensen samen gekomen om te spelen. Onder hen was een pijper. Deze pijper wekte de jongelingen en de maagden op tot dansen en het zingen van onkuise en lelijke liedekens.

Na al die jaren is er aan de volkse beleving van de kermis niets veranderd, want zoals men in Oosteeklo nog altijd zegt ’n kirmesse es ’n giëseleenge weiërd (een kermis is een geseling waard). Deze zegswijze spreekt voor zich en hoeft geen verdere uitleg.

Eeuwenlang liepen gedomesticeerde varkens vrij rond in de natuur en moesten zelf maar hun eigen kost bijeenscharrelen. Zo is van de Menapiërs en Franken bekend dat ze varkenskudden hadden met wel honderden stuks dieren.

‘s Morgens werden de varkens op de dorpsplaats verzameld en onder de hoede van een varkenshoeder trok de troep de bossen in op zoek naar voedsel. Dit is zowat de meest primitieve vorm van veeteelt.

Door de toenemende landbouw was meer bouwland nodig, meer en meer loofbossen werden gekapt en dit was recht evenredig met het verdwijnen van de varkenskudden.

Ook in de steden en dorpen liepen varkens vrij rond en ruimden alles op wat eetbaar was.

Tegen het einde van de middeleeuwen kwam ook hier verandering in. Zo was Diest in 1443 de eerste stad in de Nederlanden die een verbod op loslopende varkens oplegde. Ook in andere steden kwamen meer en meer verordeningen om de loslopende varkens uit de stad te bannen (Gent in 1500). ’t Varken moest op het erf blijven of in een kot gehouden worden en dus moest de boer nu zelf voor voldoende voedsel zorgen.

Maar zelf een varken voeren is veel arbeidsintensiever en ook veel duurder dan het vrij beloop in de natuur. Vanaf de 17e eeuw liep de varkenskweek in onze gewesten dan ook sterk terug. Er werden maar varkens gekweekt naargelang er voldoende voedsel beschikbaar was en het duurde dan nog een hele tijd vooraleer een varken slachtrijp was.

Met de komst van de aardappel (18e eeuw) kon het vetmesten wel sneller gebeuren, maar de aardappel kwam al snel ook voor menselijke consumptie in gebruikt zodat er onvoldoende productie was en er niet veel beterschap in de varkensstapel kwam. Zo was gedurende gans de 19e eeuw het mee- of tegenvallen van de aardappeloogst bepalend voor het aantal varkens dat gehouden werd.

Bij gebrek aan voldoende voer werden vóór de winter de meeste varkens geslacht. Men hield maar één zeug over. Traditioneel werd voor de ganse gemeenschap de varkensbeer door de schaapherder gehouden, dit als een soort vergoeding voor het begrazen van het akkerland.

De slacht gebeurde voornamelijk in de maand november. Het is dan al wat kouder buiten zodat het vlees beter kan versterven en binnen wordt al flink gestookt ideaal om het vlees te drogen of te roken. Zo wordt de novembermaand ook nu nog slachtmaand genoemd.

En er is nog meer.

De boeren spraken onderling af om beurtelings een varken te  slachten en het vlees onder elkaar te verdelen. Hier ligt de oorsprong van het zendingsken (van een pas geslacht varken gratis wat vers vlees bezorgen aan de omwonenden), een gebruik dat nagenoeg verdwenen is.

Ook voor de ganse gemeenschap kwam er in een korte periode voldoende vers en betaalbaar vlees op de markt en iedereen kon meesmullen. De ‘pensenkermissen’ ontstonden, een waar volksfeest voor klein en oud. Zo werd een varken slachten een feest en omgekeerd - zoals zo dikwijls in de volkscultuur - werd bij een feest een (feest)varken geslacht.

Gebruiken evolueren.

Tegenwoordig is het feestvarken het middelpunt van een feestelijke gebeurtenis, het wordt nu niet meer geslacht maar in de bloemetjes gezet.

Eeuwenlang is de zonnewijzer de enige tijdmeter geweest en uiteraard was deze slechts dienstig wanneer de zon scheen. Ook waterklokken, zandlopers en brandende olielampen of kaarsen werden gebruikt, maar enkel om de tijdsduur van een gebeurtenis aan te duiden (b.v. om eieren te koken en bij verpachtingen per opbod) en niet om de tijd te meten of een dagindeling te bepalen.

Rond 1300 begon men mechanische uurwerken maken, hoofdzakelijk als (kerk)torenuurwerk en nog zonder wijzerplaat. Die torenuurwerken sloegen enkel het uur, vandaar dat voor een uurwerk ook de naam ‘klok’ gebruikt wordt. Heel precies waren die klokken niet maar gedurende honderden jaren was er ook geen behoefte om nauwkeurig de tijd te weten.

Hierin komt verandering wanneer midden de 19de eeuw het spoorwegnet zich ontwikkelt. Treinen zijn aan een uurschema gebonden en men moet op tijd komen wil men de trein niet missen. In die tijd was de regulateur de meest betrouwbare tijdmeter, hij was dan ook te vinden

in alle spoorwegstations.

De regulateur is een hangklok met slinger waarvan men de lengte heel precies kan regelen, vandaar de naam. Hij werd begin 19de eeuw in Wenen ontwikkeld en doet, via Duitsland, vanaf 1880 zijn intrede bij ons en dit niet alleen in de spoorwegstations, maar ook in de duivenmelkerslokalen en bij duivenmelkers want ook daar was een exacte tijdmeting belangrijk.

Het is dan ook hoofdzakelijk via de duivensport dat dit soort uurwerk in onze woonkamers verspreid werd. In die tijd was de eerste prijs van een belangrijke duivenwedstrijd steevast een regulateur.

Mijn overgrootvader (net zoals mijn grootvader en vader) was een verwoed duivenmelker en blijkbaar beschikte hij over prima prijsduiven want in totaal won hij drie regulateurs. De eerste in 1888. Dit exemplaar voldoet volledig aan de beschrijving van destijds: een kleine ronde wijzerplaat, glas in de deur en de zijpanelen van de kast, een fatsoenering in neorenaissance stijl, gedraaide pilasters aan de deur, gedraaide knoppen aan de hoeken en een steigerend paard op het fronton.

In de loop der jaren is het paard van de kast gedonderd en ter plaatse gesneuveld.   

De klok werd een erfstuk en ze ging mee van vader op zoon.

Begin 1940 hing ze bij mijn ouders in de huiskamer maar was toen defect geraakt.

In 1942 werden mijn ouders verplicht om twee Duitse soldaten logement te geven. Eén ervan was Hans, hij was 18 jaar en afkomstig uit Wenen. Zijn vader was horlogemaker van beroep en dergelijke uurwerken werden als het ware in hun achterkeuken hersteld. Thuis waren er 5 zonen allemaal horlogemaker en alle vijf opgeëist in het leger.

Hans heeft op deskundige wijze de regulateur hersteld. Hij beloofde stellig om na de oorlog terug te komen om na te zien of het raderwerk nog goed liep, maar mijn ouders hebben van hem nooit nog iets gehoord of gezien.

Momenteel hangt dit uurwerk bij mij thuis in de woonkamer nog steeds de juiste tijd te meten en hier is 130 jaar familiegeschiedenis mee verbonden.

Tegenwoordig is een strijkijzer in huis de normaalste zaak van de wereld, maar eigenlijk is deze huishoudhulp in onze cultuurgeschiedenis nog niet zó oud.

De eerste afbeelding van een strijkijzer is terug te vinden op het embleem van het kleermakersambacht van Antwerpen rond 1580. Het betreft hier een ‘blokijzer’: een hol hoekig strijkijzer waarin een blok metaal past. Vooraf dient die blok in het haardvuur gloeiendheet gestookt te worden.

Een eerste, niet ambachtelijke, vermelding die we in onze regio terugvinden is al van 50 jaar later, komt uit Lokeren, dateert van 1638 en het is nog altijd een blokijzer.

Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw worden de vermeldingen talrijker maar ze blijven hoofdzakelijk terug te vinden in de inboedels van de gegoede klasse, de burgerij. 

Begin 18de eeuw komt het houtskoolstrijkijzer op de markt.

Het gebruik hiervan is minder omslachtig en het voorwerp is veel goedkoper zodat dit strijkijzer ook in het bereik komt van de gewone huisvrouw. 

Het is nog steeds een holvormig ijzer waarin nu brandende houtskool gelegd wordt. Om dit strijkijzer heet te maken moet men er eerst enige tijd mee heen en weer zwaaien (gelijk bij een wierookvat) want de houtskool moet gloeiend heet worden om het ijzer op te warmen.

Dit soort strijkijzer is tegenwoordig nog algemeen in gebruik in landen zoals Zaïre, Turkije en China.

Het verdwijnen van het open haardvuur en de intrede van  de kolenkachel brengt een ander soort strijkijzer mee. Platte vol-ijzeren strijkijzers die op de stoofbuis heet gemaakt worden.

Op diverse rommelmarkten zijn de exemplaren hiervan nog in overvloed te vinden.

Door de komst van de elektriciteit in de woning (in Oosteeklo vanaf 1925) komt het elektrisch strijkijzer op de markt en het is meteen ook het eerste elektrisch huishoudtoestel.

Aangezien elektriciteit in de beginperiode enkel aangewend wordt om lampen te doen branden, zijn er in die tijd ook geen stopcontacten in de woning aanwezig. Geen nood, een lampfitting waarin bovenaan twee contacten voorzien zijn brengt de oplossing.

Om te kunnen strijken moet men hierbij wel het licht laten branden, anders heeft men geen stroom.

Jaren lang wordt er gestreken op een tafel die gedekt is met een wollen deken met daarboven een versleten linnen beddenlaken. De strijkplank is maar laat in gebruik gekomen.

Elektrische strijkijzers zijn tegenwoordig een onmisbaar onderdeel van onze huisraad, ze zijn er in alle maten en gewichten en met of zonder stoom. 

Bij de voorbije Vredesfeesten was er veel volk op de baan. Allen feestelijk uitgedorst, waarvan sommige dames opgedirkt in een vol ornaat van uit de jaren stillekes. Een dame wist mij zelfs te zeggen dat ze haren besten koefre aan had en hiermee bedoelde ze dat ze in haar mooiste ouderwetse kleren getooid was. 

Ja, dat was ook al lang geleden dat ik dat nog gehoord had. Maar, haren/zijnen besten koefre oanhen waar komt die zegswijze eigenlijk vandaan?

De uitleg is vrij simpel.

 

Eeuwenlang was een eenvoudige koffer het enige bergmeubel in huis waarin allerlei bezit zoals linnen, klederen zelfs etenswaren bewaard werden. Dit was vooral voor dagloners, knechten en meiden handig.

Bij verandering van werk moesten ze maar hunnen koefre pakken en ze hadden al hun bezittingen mee.

Traditioneel was aan de rechter zijkant van die koffer een kleine gootvormige afdeling aanwezig - meestal met afzonderlijk deksel - om kostbaarheden zoals geld en juwelen in op te bergen.

De kleren voor dagelijks gebruik hingen doorgaans ergens in huis aan een haak, meestal achter een deur. Maar de ‘zondagse kleren’, de ‘beste kleren’ - zoals het trouwkostuum - werden steevast in de koffer bewaard. Een kleerkast is pas na de 1ste WO bij het gewone volk in gebruik gekomen. Dus, wilde men er destijds op zijn/haar Paasbest voorkomen, dan moest men letterlijk in de koffer duiken en aangezien dit maar bij een uitzonderlijke feestelijke gebeurtenis plaatsvond, waren die kleren ook niet meer eigentijds (en meestal ook te klein geworden). Vandaar.

Er zijn nog een paar zegswijzen die hiermee verband houden. Giël zijnen koefre oanhen wil zeggen dat men maar één schoon pak heeft om aan te doen. Van iemand die mooi aangekleed is wordt gezegd dat die schuuën uitgekoeferd is en met koeferklieëren bedoelt men de mooiste kleren die men maar bij speciale gelegenheden aandoet.

Zo doet bij een trouwfeest iedereen zijn kofferkleren aan.

In een vorige bijdrage hebben we al vermeld dat eeuwenlang een eenvoudige kist of koffer het enige opbergmeubel in huis was.

Hieruit hebben alle andere huiselijke opbergmeubelen zich ontwikkeld. 

De eerste in de rij is de schapraai of etenskast. Deze primitieve keukenkast ontstond door een koffer op een korte zijde te plaatsen en er poten onder te zetten. Het kofferdeksel deed dienst als deur en in de kofferruimte werden schappen aangebracht.

Oorspronkelijk stond de schapraai afzonderlijk los in de woonkamer, maar na verloop van tijd werd ze ingebouwd of opgehangen tussen de openhaard en een buitenmuur. Meestal was ze dan ook in twee gedeeld met twee deuren, de ene kant om etenswaren te bewaren en de anders kant om het eet- en keukengerief in onder te brengen.

Nog later kwamen er onder- of bovenaan (naar gelang ze geplaatst was) twee schuiven waarin het bestek en allerhande klein keukengerief in opgeborgen werd. We kunnen van dan af al van een keukenkast spreken.

Bij de rijke burgerij ontwikkelde de ongeriefelijke bergkoffer zich tot: ‘coffre commode’ (gerieflijke koffer). Een koffer werd op een lange zijde geplaats en er werden poten onder gezet. Het deksel of de deur werd weggelaten, de voorzijde bleef open en werd voorzien van schuiven want dit was veel gemakkelijker: ‘plus commode’.

De commode werd uitsluitend gebruikt voor het bergen van linnen en kledingstukken.

Het ontwerp van commode evolueerde tot linnenkast. De kast werd hoger uitgebouwd en in plaats van schuiven kwam er terug één deur en meerdere schappen in de kast. Dat was nóg gemakkelijker. Nu moest men niet meer in verschillende schuiven rommelen om een kledingstuk te zoeken, men kon vrijwel onmiddellijk zien waar wat lag.

Bij de burgerij bracht de toenemende welvaart ook meer kleren met zich mee zodat de behoefte ontstond om de bovenkleren op te hangen.

De linnenkast werd opgedeeld met een compartiment voor liggende en voor hangende kledingstukken en later in twee aparte delen met elk een deur.

Eind 18de eeuw ontstond de kleerkast voor uitsluitend hangende klederen en bovenaan een schap waarop petten, hoeden en mutsen werden weggeborgen.

Grote majestueuze kasten met veel ornament bij de koningshoven en hogere klasse. Eenvoudige kasten bij de lagere klasse, maar pas na de 1ste WO ook in de huizen van het gewone volk. Onderaan waren deze kasten doorgaans van schuiven voorzien, waarin de familiepapieren bewaard werden.

Wie het zich kon permitteren schafte zich een kleerkast aan uit hardhout, vooral eik en notelaar waren in trek. Minder begoeden waren tevreden met zachthouten meubelen, meestal van wit hout. Om dit enigszins te camoufleren werden deze ingestreken met varkensbloed en daarna opgeboend met was. Op die manier kregen ook de withouten kasten het donker uitzicht van hardhout.

Bij het smelten van varkensvet is een neteldoek een onmisbaar hulpmiddel om de kaantjes van het smout te kunnen scheiden. We gaan hier even op in.

Wat is neteldoek? Het ‘Groot woordenboek van hedendaags Nederlands’ (van Daele, 1991) geeft als uitleg: “van licht katoen of mousseline vervaardigd los weefsel”.

Verder lezen we bij Wikipedia dat neteldoek in de keuken en bij de kaasmakerij gebruikt wordt als een vorm van zeef. Door de grove weefselstructuur kan het vocht gemakkelijk uitlekken.

Maar hoe komt die doek aan zijn naam?

Eenvoudig, oorspronkelijk werd neteldoek enkel van brandnetels gemaakt. Eenmaal volgroeid werden de netels gemaaid en gedroogd. Gedroogde brandnetels prikken niet. Daarna werden de bladeren verwijderd waardoor men naakte lange stengels kreeg die tot taaie, vierkanten doeken geweven werden, ideaal als keuken- of kaaszeef.

Deze neteldoeken waren meerdere keren bruikbaar als zeef en nadien nog dienstig als schuurspons, om potten en ketels uit te schuren.

Nog tot in WO I was het oogsten en drogen van brandnetels een ingeburgerd gebruik en dit niet alleen bij ons, ook in Duitsland. Zo liet op 22 augustus 1917 de bezetter hier een verordening verspreiden dat de brandnetels moesten gemaaid, gedroogd en ingeleverd worden.

Dit zegt natuurlijk ook wel iets over het toen nijpend gebrek aan grondstoffen en de precaire bevoorradingsituatie waarin het Duitsland zich bevond, maar het is in elk geval een goede illustratie van het nuttig aanwenden van brandnetels. 

Tegenwoordig is het gebruik van brandnetels niet verdwenen. De gedroogde stengels worden verwerkt tot vezels en die vinden diverse toepassingen in de textielindustrie, o. a. in kleding en mogelijks nog steeds in neteldoeken.

De zondagvoormiddag van de Vredesfeesten was het wat minder druk, tijd om in de binnentuin van wijn & koffiebar Perspectief een aperitief te gaan drinken en - uiteraard - kon een bezoek aan het koetshuis hierbij niet ontbreken.

Tot mijn verwondering zag ik er nog een oude paternoster aan de muur hangen en wel een met zes tientjes. Dergelijke paternosters kwamen vroeger veel voor maar zijn tegenwoordig eerder zeldzaam geworden.

Dat een ‘tientje’ uit tien kralen bestaat ligt voor de hand. Ongetwijfeld telde men oorspronkelijk de Weesgegroeten op zijn vingers en een mens heeft nu eenmaal tien vingers. Maar waarom zes tientjes?

Hiervoor is een logische uitleg.

Er bestaat in het Oosten een hardnekkige legende waarin gesteld wordt dat Maria 63 jaar oud geworden is en de geciteerde paternoster heeft welgeteld 63 Weesgegroeten: zes tientjes en nog eens drie Weesgegroeten aan het kruis. Dus evenveel Weesgegroeten als het vermoedelijk aantal levensjaren van Maria.

Deze gebedskrans heeft ook een naam, hij wordt “Birgitta-rozenkrans” genoemd, naar de Zweedse H. Birgitta uit de 14de eeuw, omdat deze heilige uit haar visioenen een gedetailleerde levensbeschrijving van Maria heeft weergegeven.

De technische Latijnse naam is “Corona in symbolum annorum” (krans volgens het aantal levensjaren).

Er bestaan nog dergelijke paternosters, een met 33 kralen - naar het aantal levensjaren van Jezus - en een van 96 kralen, de ouderdom van Jezus en Maria samen.

Meestal werd deze rozenkrans in hartvorm aan de muur boven het echtelijk bed opgehangen, als bescherming voor het ganse gezin.

Er valt nog op te merken dat dergelijke paternosters uitsluitend in Maria-bedevaartsoorden en vooral Lourdes, verkocht werden.

Er is nog iets bijzonders aan deze paternosters, alle kralen zijn uit hout en met name de kraal waar het Onze Vader gebeden wordt is toch iets speciaal. Oorspronkelijk werd hiervoor een nootmuskaat gebruikt, maar deze specerij kwam uit het Oosten en was dus ‘peperduur’ zodat alleen de begoede klasse zich zo een paternoster kon permitteren. Geen nood, de kraal werd kunstig nagemaakt in houtsnijwerk. Nog steeds onbetaalbaar voor de modale bedevaarder en dus waren er ook paternosters met gewone kralen te koop.  

Tot besluit kunnen we ons de vraag stellen hoe onze huidige paternoster aan zijn samenstelling komt? De drie Weesgegroeten aan het kruis zijn ongetwijfeld nog overblijfsels van de Birgitta-paternoster, maar waarom nu vijf tientjes?

Hoe duidelijk ons de samenstelling van de zes-tientjes-paternoster is, hoe onduidelijker en onlogischer de vijf-tientjes-rozenkrans wordt. 

We hebben het antwoord op een vraag gegeven maar er is ons een groter raadsel overgebleven.

Tijdens de activiteiten van ‘De Warmste Week’ op het erf van Luc en Sien Van Haute, kreeg ik van iemand van ‘De Vergeten Vrouwen’ de vraag of ik wist waar het woord “palto” (overjas) vandaan kwam. Ja natuurlijk en zowat iedereen denkt dat het, gezien de klankkleur, om een Frans woord gaat, soms vind je het woord zelfs als palteau geschreven. Klopt niet, zoek maar in Franse woordenboeken je zult het niet vinden.

Palto komt van het Middelnederlands paltroc en dat is het lang bovenkleed dat destijds door krijgslieden en vooral ridders gedragen werd. Het kenmerkt zich door - vanaf het midden - twee of vier slippen, dit om gemakkelijk te kunnen paardrijden, vergelijkbaar met de lange jas van de cowboys in de westernfilms. Op zowat alle afbeeldingen met kruisvaarders staan die steevast in hun paltroc afgebeeld.

Een lang aaneengesloten bovenkleed werd tabbaard genoemd. Hier is dit nu nog het ouderwets woord voor een lang slaapkleed.

Het woord palt betekent in oorsprong: ‘lap stof’ en het komt in het West-Vlaams nog voor als polte, een verouderd woord voor: bedsprei.

Roc is de gewassen en gekamde bundel wol waaruit draad gesponnen wordt om kledingstukken te maken en ‘spinrok’ is de stok waarop de wol wordt vastgezet bij het handspinnen.

In de middeleeuwen werd onderkleding meestal uit linnen vervaardigd en bovenkleding uit ‘laken’ (geweven wollenstof) en zo werd ‘rok’ ook de algemene benaming voor bovenkleding. Vandaar ook onze zegswijze: het hemd is nader dan de rok (men moet eerst voor zichzelf of zijn naasten opkomen). Alhoewel men in sommige dialecten met ‘borstrok’ een dik, warm onderlijfje met halssluiting bedoelt. Dus hier wordt de ‘rok’ rechtstreekst op het lichaam, de borst, gedragen.

Palto is het gebruikelijk dialectwoord voor een overjas voor vrouwen en énkel voor vrouwen. Een overjas voor mannen noemen we pardessus en dit is wél een onvervalst Frans woord.

Moederdag, zoals wij het hier kennen, komt overgewaaid uit de Verenigde Staten waar het Congres in 1914 de tweede zondag van mei officieel als een herdenkingsdag voor alle moeders uitriep. Dit moet gezien worden als een onderdeel in de vrouwelijke emancipatiestrijd en bijna uitsluitend commerciële motieven hebben hierbij de feestdatum bepaald.

Pas na de tweede WO werd het gebruik in gans Europa algemeen. Echter, niet overal in Vlaanderen viert men dit feest op deze dag.

In de stad Antwerpen en omliggende viert men Moederdag op 15 augustus, de feestdag van Maria als patrones van de stad. In 1913 werd de feestdag van O.L.V-hemelvaart er officieel als “De dag van de Moeders” uitgeroepen, dus vóór er in de V.S. sprake van was. Daarenboven is in die feestdatum - de feestdag van Maria als ‘Moedermaagd’ - ook de verbondenheid met de onderliggende religieuze context van de oeroude en over de ganse wereld verspreidde devotie tot de leven-scheppende-vrouwelijke-vruchtbaarheid en ‘Moederaarde’, bewaard gebleven.

Na de invoering van Moederdag kon een feestdag voor de vaders natuurlijk niet uitblijven.

Naar analogie met Moederdag - op de tweede zondag van mei - wordt Vaderdag in grote delen van Vlaanderen op de tweede zondag van juni gevierd.

Antwerpen en omstreken is hierop terug de uitzondering (eigenlijk is het andersom), daar wordt - eveneens naar analogie met Moederdag - Vaderdag op 19 maart, de feestdag van St Jozef, gevierd.

Het feest voor de vaders heeft ook vrij laat, pas vanaf begin de jaren zestig, algemeen ingang gevonden.

Per definitie is een vader een man met nakomelingen en - in tegenstelling met Moederdag dat zijn wortels heeft in oeroude universele vruchtbaarheidsrituelen - heeft Vaderdag vrijwel geen connectie met een of ander mythisch, cultuur historisch of volkskundig verleden.

Enkel met de Germaanse god Thor kan er een verband gevonden worden.

Hij was de smid van het godenrijk en wanneer hij aan het smeden was maakte dit een hels lawaai en spatten de vonken van op zijn aambeeld in ’t rond. Hierdoor ontstond bliksem en donder en wanneer het bliksemt en dondert gaat het onweren en flink regenen waardoor de velden vruchtbaar worden.

Zo is de hamer van Thor algemeen gekend als een fallussymbool, maar dit toch eerder als een symbool van mannelijke kracht en scheppingsdrang en niet als vruchtbaarheidssymbool.  

Mannen werden dan ook vooral als beschermer van de eigen site, als krijgsheer, soldaat of ambachtsman gewaardeerd en niet om hun nakomelingen.

Het is nu vrijwel zeker, de wolf is terug in ‘t land.

Als inheemse diersoort heeft hij eeuwenlang onze streken bewoond en na een langdurende afwezigheid lijkt hij nu, wel-is-waar nog aarzelend, de weg naar onze streken terug gevonden te hebben. In gans Europa is de wolf een beschermde diersoort en heet menigeen hem van harte welkom, maar vroeger werd hij als een afschuwelijk monster voorgesteld en behandeld en dit niet alleen in sprookjes. Zowat iedereen  was hem dan ook liever kwijt dan rijk.

Ik ben een paar getuigenissen van weleer gaan opzoeken.

De oudste vermelding die ik terug vind komt uit de 14de eeuw. Toen werden in het Brugse Vrije premies uitgereikt om de wolven te bestrijden. Blijkbaar met succes want in een geschrift van 1510, de tijd van Karel V, staat te lezen dat de wolven en ook de bevers hier bijna totaal zijn uitgeroeid. 

En dan komen de godsdienstoorlogen.

Rond 1587 zouden wolvenbenden in het Waasland een ware terreur gezaaid hebben. Bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568) waren de stadswallen van Lokeren grotendeels gesloopt en lag de binnenstad vrij open. De toenmalige pastoor Hendrik de Coster noteerde dat er in dat jaar - alleen al in Lokeren - 17 personen door wolven gedood of verminkt werden.

Ook de streken rond Dendermonde en Aalst werden door wolven geteisterd. De bevolking trok er massaal op uit om de dieren te doden of te vangen. De kadavers werden gekookt en om zich meer moed in te pompen werd het hart en de lever opgegeten. Levende exemplaren werden openbaar verkocht. In Antwerpen werd zelfs een dierentuin voor wolven ingericht waar men de dieren kon bezichtigen.

Op dit elan ging het verder. In 1599 werden in de bossen rond Vleteren nog 16 wolven afgemaakt en in “Stadt ende Landt van Dendermonde” vermeldt Jacob Maestertius dat in 1600 te Denderbelle een drachtige wolvin gedood werd met zeven jongen in haar buik. De inwoner kreeg hiervoor een beloning van 39 gulden.

Niet alleen bij ons maar ook in andere landen werden deze dieren bejaagd.

In 1765 werd in de Auvergne in Frankrijk een klopjacht gehouden op een roedel wolven die 75 mensen zou verslonden of verminkt hebben.

Nog bij ons werden op het einde van de 18de eeuw in de Kalmthoutse heide een honderdtal (!?) wolven gedood. Maar de laatste nog vrij rondlopende populatie in Vlaanderen is uiteindelijk in 1806 in het Hageland afgeschoten.

In 1870 vermeldt de “Katholieke Illustratie” dat de wolf in de Lage Landen al enige tijd volledig is verdwenen. En dan plots, in 2000, is er terug beroering in ’t land. Een loslopende wolf zou in het Waasland en Zeeuws-Vlaanderen gesignaleerd zijn, maar uiteindelijk verdween het dier al even geheimzinnig als het gekomen was. 

Het is niet allemaal kommer en kwel wat over dit dier tot ons is gekomen.

Al van ouds werd de wolf ook als een heel sociaal wezen gewaardeerd en erkend. In de wereldliteratuur zijn diverse sagen bekend van wolven die een achtergelaten baby adopteerden. Zo is de sage over de stichting van Rome door Romulus en Remis, die door wolvin Lupa gezoogd werden, een vast onderwerp van de geschiedenisles.

Maar ook nog later, uit 1628 is het verhaal bekend van een kind dat in Hessen, midden Duitsland, door wolven werd opgevoed. Daarenboven zijn het toch ook de honden, die als afstammelingen van de wolven, de trouwste metgezellen van de mens geworden zijn! 

Welkom wolf, ge moogt blijven, maar pas op voor de mens.

Een volkskundig weetje.

Gesteld onderwerp heeft met een bruine -, zwarte - of andere beer niets te maken.

De zegswijze is een verdietsing van de Franse titel “Pair de France” die in de Feodale Tijd door de koning aan zijn meest nabije en getrouwe vazallen gegeven werd. Zo werd ook een onderscheid gemaakt tussen de hoge en lage adelstand, alhoewel de titeldrager in de praktijk niet hoger in rang was. Het was een waardering voor de koningsgezinde maatschappelijke positie die voornamelijk het prestige van de edelman ten goede kwam.

Het Franse woord ‘pair’ is afkomstig van het Latijn ‘par’ en betekent ‘gelijke’. Op die manier verklaarde de koning zich de ‘primus inter pares’: de eerste onder de gelijken.

Begin 14de eeuw waren er in Vlaanderen twaalf edellieden die ‘Beer van Vlaanderen’ achter hun naam mochten schrijven en, alhoewel de titel erfelijk was, bleven er op het einde van het Ancien Regime nog vier over.

Het is mij onduidelijk hoe en waarom men die gegeerde kwalificatie kon kwijt geraken en ik heb er ook geen weet van of ook een edelvrouw ‘Berin van Vlaanderen’ kon genoemd worden.

In de oudste geschriften komt men, naast het woord ‘beer’ ook de woorden ‘ber’ en baro’ tegen en werden de baronieën van de titeldrager soms ‘beerijen’ genoemd.

Eeuwenlang en vrijwel overal ter wereld, werd de lengte van menselijke lichaamsdelen als eenheidsmaten gebruikt. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de afmetingen van streek tot streek verschilden en daarenboven waren ze onderling ook niet verrekenbaar.

Zo was, in onze streken, de duim tussen de 2,4 en 3 cm, de palm (handpalm zonder de duim) van 10 tot 14 cm, de voet van 21 tot 30 cm, de el (van aan de elleboog tot de verste vingertop) van 48 tot 52 cm en de grote el (van aan de schouder tot de verste vingertop) tussen de 67 en 77 cm.

In de Romeinse Tijd waren de meeteenheden over het ganse rijk vrij uniform, maar tijdens de Middeleeuwen versplinterde het metriekstelsel volkomen.

Karel De Grote (hij had een lengte van 7 voet - ongeveer 1,7 m - en dat was zeer groot in die tijd; zijn vader noemde men ‘Pepijn De Korte’) trachtte terug orde op zaken te stellen door, rond 800, de lengte van zijn keizerlijke voet - ongeveer 24 cm -  als wettige lengte-eenheid in zijn rijk vast te leggen. Echter, door een gebrek aan een centrale administratie bleef dit een verdienstelijke wensdroom. Elke landstreek bleef haar eigen maten en gewichtseenheden hanteren.

Meer nog, tot laat in de middeleeuwen deed in zowat elke heerlijkheid de voetlengte van de dorpsheer of kloosterabt dienst als lengtemaat. Bij gebrek aan liniaal was een knopentouw in gebruikt waarbij aan elke voetlengte een knoop gelegd werd.

Een twaalknopentouw (afgekeken van de Egyptenaren) was de standaard. Men kon er niet alleen tot twaalf voet mee meten maar ook geometrische figuren, zoals een rechte hoek, een gelijkbenige driehoek, gelijkzijdige driehoek, een cirkel  enz. mee vormen.

Bij de constructie van elk belangrijk gebouw had de architect en elke werknemer het voorgeschreven twaalfknopentouw op zak en de lengte ervan verschilde van werf tot werf.

De afmetingen van het gebouw de bouwmaterialen, het houtwerk, de stenen, de tegels enz. werden volgens de opgegeven voet opgemeten, gemaakt en verwerkt. Kortom een gebouw werd destijds opgetrokken met de voet van de opdrachtgever als lengte-eenheid. Zelfs de bakstenen voldeden hieraan. 

Op de foto’s.

- Een rechthoek gevormd met het twaalfknopentouw van het kasteel van Guédelon, eind dertiende eeuw (experimentele archeologie,  Treigny Frankrijk). De voet meet hier 20,5 cm.

- Originele baksteen waarmee de abdij van Oosteeklo gebouwd werd (rond 1230). De gebruikte voet meet +/- 27,5 cm. Blijkbaar had de bouwheer van de abdij grote voeten.

Aan deze metrieke chaos maakt de Franse Revolutie een einde.

In 1791 werd de meter (één miljoenste deel van de afstand tussen de noordpool en de evenaar op de meridiaan van Parijs) als lengte-eenheid in het Europees vasteland ingevoerd.

Evenwel zijn in de Angelsaksische landen de oude eenheden, weliswaar geüniformeerd, gebleven.

*Legende

Een volksverhaal, dat berust op mondelinge overlevering, waarin een religieuze gebeurtenis of het leven en/of de verering van heiligen of martelaren behandeld wordt en waarin gewoonlijk een mirakel aan te pas komt.

*Sage

Een vertelling, die berust op mondelinge overlevering, waarin een profane gebeurtenis met een boven- of buitennatuurlijk karakter behandeld wordt.

Men onderscheidt verschillende soorten sagen.

- Christelijke sagen: waarbij heidense of louter fictieve figuren of taferelen vervangen worden door verchristelijkte elementen.

- Heldensagen: verhalen rond een al of niet verzonnen historisch persoon.

- Historische sagen: verhalen met een historisch gegeven die door de volksverbeelding aangedikt of vervormd worden.

-Mythische sagen: fantasierijke volksverhalen die betrekking hebben op de godsdienst of de wereldbeschouwing van een volk.

-Toversagen: waarin hekserij of zwarte kunst centraal staat.

* Sprookje

Een louter uit de fantasie ontsproten mondelinge overgeleverde vertelling.

Onder Franstalige invloed wordt er in de terminologie momenteel nog nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen een ‘legende’ en een ‘sage’ en wordt het woord ‘sage’ enkel nog gebruikt voor verhalen uit de mythologie.

Enige tijd geleden werd ik op straat door een buurvrouw staande gehouden met de vraag of ik nog wist wat een ‘gelte’ precies was. Vorig jaar was dit, in een gesprek onder vrienden - waarbij ze het over het boerenleven van vroeger hadden - ter sprake gekomen maar niemand van het gezelschap kon nog zeggen wat een gelte juist was en eigenlijk zouden ze het toch wel graag geweten hebben.

Uiteindelijk kwam men tot de conclusie: “We moeten het eens aan Guido vragen want als iemand dit nog weet zal hij het wel zijn”. Wat een eer, maar ze hadden het wel goed ingeschat want ze hadden nog gelijk ook. 

Een gelte (men zegt ook ‘gelde’) is/was een gecastreerde zeug en het castreren van zeugen is een oude en thans verdwenen praktijk.

Vroeger werden de consumptievarkens zwaarder afgemest, tot zo ‘n 130 zelfs 150 kilogram en daarenboven duurde het ook veel langer om een varken vet te mesten. De consumptievarkens werden dus veel ouder en ook geslachtsrijp. Om de drie weken wordt een geslachtsrijpe zeug bronstig. Dit duurt drie dagen en gedurende die periode is ze onrustig en eet ze ook zeer weinig waardoor ze flink in gewicht kan afvallen. Bovendien valt ze ook de andere dieren in het hok lastig door er op te springen of te bijten.

Om al die problemen te voorkomen werden die zeugen gecastreerd. Aan de rechterzijde werd in de buikwand een opening van ongeveer 15 centimeter gemaakt waarlangs ’t bedde verwijderd werd en het probleem was opgelost.

Met bedde bedoelt men meestal de baarmoeder, maar om de hormonale werking te stoppen moeten in dit geval de eierstokken verwijderd worden.

Tijdens de eerste rondgang met ‘Félicienne’ - in 2009 - was in het gezelschap het enkel Arsène Huysman die er nog weet van had en op mijn vraag naar bijkomende informatie wat meer uitleg kon geven. Hij was veearts van beroep en vertelde dat hij in 1968 voor het laatst een zeug gecastreerd had, maar dat die praktijk toen al zo goed als verdwenen was.

Door de opkomst van de industriële varkenshouderij, waarbij de varkens veel jonger geslacht worden is de noodzaak overbodig geworden.

Zo zie je maar, de gelte is een vergeten onderdeel uit onze volkscultuur.

Op ons vorige artikel over de ‘Gelte’ (gecastreerde zeug) kregen we uit diverse hoek een paar reacties. Blijkbaar worden onze bijdragen goed gelezen en dit kunnen we alleen maar toejuichen. Nog even toelichten en verduidelijken.

Een paar lezers verwarden steriliseren met castreren, maar dit is geenszins hetzelfde, er is een zeer wezenlijk verschil.

Bij steriliseren is het de bedoeling om onvruchtbaarheid te verkrijgen en het wordt meestal uitgevoerd door de zaad- of eierleiders af te binden of door te knippen. Hierbij blijven de geslachtshormonen in productie en blijft dus ook de geslachtsdrift of paringsdrang behouden. Deze hormonen worden via de bloedbaan verspreid en hier wordt niet aan geraakt.

Daarentegen beoogt men bij het castreren om net de productie van de geslachtshormonen te stoppen. Deze worden  bij vrouwelijke dieren in de eierstokken en bij mannelijke dieren in de teelballen aangemaakt en dus moeten die operationeel verwijderd worden.

Tegenwoordig kan het ook met medicatie (medicinale of chemische castratie), in dit geval verschrompelen de teelballen of eierstokken.

Meteen is dit ook een antwoord aan wie zich verwonderde dat het woord castreren ook voor vrouwelijke dieren gebruikt wordt. Maar of je het nu ‘castreren’ of ‘lubben’ of ‘snijden’ noemt, voor beide seksen is de bedoeling dezelfde en is er geen verschil in woordkeuze. Het gebeurt nog vrijwel altijd operatief, het ‘snijden’ is de ingreep en de castratie het gevolg.

Door het castreren stopt niet alleen de paringsdrang maar worden ook alle verdere geslachtelijke lichamelijke ontwikkelingen verhinderd met als nevenwerking dat het vlees veel malser wordt en de dieren flink in gewicht kunnen toenemen, wat voor consumptiedieren zeker een bijkomend voordeel is.

Een gelubd dier wordt niet meer bronstig en kan, gezien de eierstokken of teelballen verwijderd zijn, ook geen nakomelingen meer krijgen. Hieruit volgt dat ‘gelte’ soms ook gezegd wordt van een geslachtsrijpe zeug die nog niet geworpen heeft (zoals een ‘vaars’ bij runderen) of van een zeug die om onbekende redenen onvruchtbaar blijkt te zijn (zoals een ‘kween’ bij runderen).

Bij mijn weten zijn tegenwoordig enkel nog kattinnen en teven de enige vrouwelijke dieren die gecastreerd worden. Bij de teven wordt hierdoor ook de hinder tijdens de periodieke menstruatie voorkomen.

Enkele vrienden hadden in de “Meetjeslandse Toponiemen tot 1600” een plaatsaanduiding uit 1238 gevonden waarvan de plaatselijk hoeve tot de 17de eeuw eigendom was van de abdij van Oosteeklo. De gegevens waren afkomstig uit “De Keure van Eeklo, Lembeke en Kaprijke”, maar ze vroegen zich af: “de Keure”, wat is dat eigenlijk?

Simpel. De keure was een - soms zeer lijvig - boek waarin alle vrijheden, rechten en plichten van een ganse regio of stad opgesomd stonden en ze werd verleend door de landheer. Dus een handvest, waarin de onderlinge relaties en zowat alles uit het dagelijks bestaan beschreven en gereglementeerd stond en dat als leidraad diende om de maatschappij te ordenen. Enigszins te vergelijken met wat wij nu de ‘grondwet’ noemen.

Bij de opmaak ervan ging men vooral te rade bij de rechtsgeleerden van een stad ook al omdat de steden op termijn nogal wat vrijheden verworven hadden.

Voornamelijk ‘de Keure van Antwerpen’ was zeer in trek, maar de plaatselijke heer moest er wel eerst mee akkoord gaan wat zeker niet altijd het geval was. Zo kon een keure enigszins van streek tot streek verschillen.

In elk geval zorgde de keure er voor dat in het betreffende rechtsgebied of ambacht, alles “keurig” geregeld was en “willekeur” voorkomen werd.

Wanneer je de volgende keer met de wagen naar de autokeuring moet, denk er eens aan dat de oorsprong van de reglementering hiervan, in een ver verleden ligt.

Een paar maand geleden kreeg ik de vraag hoe de plaats in de stal van een boerderij noemde, waar gewoonlijk al de handwerktuigen verzameld werden. Betrokkene wist wel dat die plaats een naam had maar kon zich niet meer herinneren welke.

In eenvoudige boerderijen werd al het landbouwalaam zoals rieken, schoppen, spaden, vlegels enzomeer, samen in een vrije hoek van een stal of schuur bewaard. Kwestie dat men maar naar één plaats moest gaan wanneer men iets nodig had. Het was altijd een hoek in een bestaand gebouw, want in een hoek is het nu eenmaal gemakkelijker om werktuigen met een lange steel rechtop te bewaren.

Die plaats werd “de winkel” genoemd. Het is een Middelnederlands woord en betekent eigenlijk ‘hoek’. In die betekenis is het vandaag nog terug te vinden in het woord ‘winkelhaak’.

Omdat na enige tijd op die plaats ook het alaam hersteld werd, groeide dit deel van de stal geleidelijk uit tot werkplaats en later tot afzonderlijk werkhuis. Zo wordt de werkplaats van een ambachtsman nog altijd ‘de winkel’ genoemd. Vandaar de zegswijze “Er is werk aan de winkel” in de betekenis van: we hebben nog heel wat te doen.

De inhoud van het woord evolueerde verder.

Van plaats in de stal van de boerderij - waar men zijn benodigdheden kon halen - naar buurtwinkel, verkoopplaats op het dorp waar men gerief kon kopen.

Zo zit het ineen.